Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

merg - (zachte en vette substantie in de botten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

merg zn. ‘zachte en vette substantie in de botten’
Onl. marg ‘merg’ in út fana themo marge ‘uit het merg’ [eind 9e eeuw; CG II-1, 39]; mnl. march ‘id.’ [1287; VMNW], merch in (hier overdrachtelijk) Dat halp den keyser in sijn merch ‘dat deed de keizer innerlijk plezier’ [1350-1400; MNW-R].
Ontstaan uit ouder marg, met overgang -a- > -e- voor velaar, zoals in → merk.
Os. marg; ohd. marg (nhd. Mark); ofri. merg (nfri. murch, moarch); oe. mearg (ne. marrow); on. mergr (nzw. merg); alle ‘merg’, < pgm. *mazga-.
Verwant met: Sanskrit majján- ‘merg’; Avestisch mazga- ‘merg, hersenen’; Litouws smãgenys ‘hersenen, merg’, Oudpruisisch musgeno ‘id.’; Oudkerkslavisch mozgŭ ‘id.’ (Russisch mozg); Tochaars A mäśśunt ‘merg’; bij pie. *mosgh- (IEW 750).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

merg* [substantie in beenderen] {ma(e)rch, merch 1287} oudsaksisch marg, oudhoogduits marag, oudfries merg, oudengels mearg (engels marrow), oudnoors mergr; buiten het germ. oudpruisisch musgeno [merg], oudkerkslavisch mozgŭ [hersens], avestisch mazga- [hersens, ook: merg], oudindisch majjā [merg].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

merg znw. o., mnl. maerch, march, meerch, merch, morch, murch (ook. nnl. dial. murg naast merg), os. marg, ohd. marg, marag (nhd. mark), ofri. merg o.m., oe. mearg o. m. (ne. marrow), on. mergr m. uit germ. *mazga-. — osl. mozgŭ ‘hersenen’, av. mazga ‘merg, hersenen’ (IEW 750). Daarnaast staat nog de n-stam oi. majján, opr. musgeno, toch. A mäśśunt ‘merg’.

Opvallend is de wisseling in de cons, g en gh; zulke parallelvormen komen echter zo vaak voor, dat men voor het indo-iraans niet aan een bepaalde klankwet behoeft te denken. — Daar het woord slechts in een beperkt deel van het idg. taalgebied voorkomt, neemt Porzig, Gliederung der idg. Sprachen 1954, 211 aan, dat het germ. woord aan het slavisch-iraans ontleend zou zijn. Toch eerder een woord, dat tot het noordelijk deel der idg. talengroep behoord heeft.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

merg znw. o., met e vóór r + gutturaal (vgl. erg), mnl. ma(e)rch, me(e)rch (morch, murch; gh) o. (v.). = ohd. marg, marag (nhd. mark), os. marg o., ofri. merg o. m., ags. mearg o. m. (eng. marrow) “merg”, on. mergr (gen. mergjar v. “id.”. Met r uit z. Germ. *mazga-, obg. mozgŭ “hersens”, av. mazga- “id.”. Andere stamformantia hebben opr. musgeno “merg”, lit. (vervormd) smāgenės “hersens”, oi. majjân-, majjā́ -, majjas- ”merg”. NB. De oi. en germ. vormen hebben verschillende gutturalen: idg. g resp. gh, de andere vormen kunnen beide hebben. De nnl. dial. zeer verbreide vormen op -k zijn secundair (uit’t Du.?).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

merg. De g, waarop de oi. vormen wijzen, berust wellicht op een specifiek oi., resp. indoiraanse klankontw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

merg o., Mnl. march, Os. marg + Ohd. marag (Mhd. marc, Nhd. mark), Ags. mearg (Eng. marrow), Ofri. merg, On. mergr (Zw. märg, De. marv) + Skr. majjī, = merg, Zend. mazga, Osl. mosgi = hersenen, Oier. medg = wei.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

murg: – (gew. net fig.) merg – , “vetstof in beenholtes”; Ndl. merg, dial. ook murg (Mnl. ma(e)rch/me(e)rch/morch/murch), Hd. mark, Eng. marrow, verw. hoërop in bet. “harsings”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

merg ‘substantie in beenderen’ -> Papiaments † merg ‘substantie in beenderen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

merg* substantie in beenderen 1287 [CG NatBl]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1503. Door merg en been.

Iets dringt of gaat door merg en been (mnl. dore eenes march; hd. durch Mark und Bein; nd. dör Mark un Bên; fr. jusqu'à la moelle des os; eng. to the marrow of one's bones; fri. troch yl en sward, ieren en sinen, door aderen en zenuwen) wil zeggen iets raakt het hart, ons binnenste, ‘beschouwd als de zetel van verterend zielelijden, hevige aandoeningen of diep ingewortelde gebreken’; Ndl. Wdb. IV, 390. Vgl. Vondel, Geboorteclock, vs. 474: Door been en merg; De Brune, Bank. II, 126: Tot in het mergh en in de gebeenten iemand kennen; Hooft, Ged. I, 71: U crachten, die mij glissen door 't merrech in 't gebeent'; Vondel, Maeghden, vs. 745:

De boosheid hecht te vast,
 Die in gebeente, en mergh van jongs op groeit en wast.

Ook is bekend (tot) in merg en been; Zuidndl. bedorven tot in 't merk van zijn beenen, dat op dezelfde wijze gebruikt wordt als (tot) in hart en nieren; vgl. Rein. 2518: Hem es dat stelen ende dat roven ende dat lieghen gheboren int been; Ndl. Wdb. VI, 27; IX, 577 en het 17de-eeuwsche door den hals, met betrekking tot gezindheden, waarvan iemand diep doordrongen is.Ndl. Wdb. V, 1659; II, 1301.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut