Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

meren - (een schip vastleggen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

meren ww. ‘een schip vastleggen’
Mnl. meren ‘een schip vastleggen’ in spiscepe te meren onder die grote bricghe ‘proviandschepen aan te meren onder de grote brug’ [1286; VMNW], daarnaast ook algemener ‘vastbinden, verankeren’ in gemeert int dal daer die duvel reert ‘vastgebonden in het dal waar de duivel brult (de hel)’ [begin 14e eeuw; MNW]. Daarnaast de vorm maren ‘id.’ zoals in achter ende voor wel gemaert [1464; MNW], vnnl. zoo wye zijn scepen mit turf anderssins maerde ‘ieder die zijn schepen met turf op een andere manier vast zou leggen’ [1500-36; MNW], maeren, maren ‘vastbinden’ [1599; Kil.].
Meren is de gewone vorm van dit woord; de vorm maren is de Noordzee-Germaanse variant.
Nfri. mearje (< ofri. *māria); me. moren ‘een schip vastleggen’ (ne. moor), net als het Nederlandse woord < pgm. *mairōn-. Nnd. vermoren ‘een schip vastleggen’ is wrsch. ontleend aan het Engels (OED3). Daarnaast met umlaut: nfri. mierje (met secundaire -j-, dus uit *miere, *meare < ofri. *mēra); oe. *mæran (blijkens mǣrels-rāp, mārels ‘aanmeertouw’) < pgm. *mairjan-.
Beide zijn wrsch. afgeleid van een zn. pgm. *mairō- ‘paal’; mnl. mêre ‘grens(paal), grens’; oe. mære ‘id.’; ozw. landamære ‘grens, streek’ (nzw. landamären mv. ‘streek’) < *landa-mairia-; mogelijk verwant met Latijn mūrus ‘muur’, zie → muur 1.
Uit pgm. *mairō- ontstond o.a. mnl. meer ‘grensafscheiding’ [1240; Bern.], in Die pale. ogte meere sette ‘wie palen of grensmarkeringen zou plaatsen’ [1292-93; VMNW], ook algemener ‘paal’ in 2 boyen, daer een dul man met ghebonden was an de meere ‘twee boeien waar een dwaze man mee aan de (schand)paal gebonden was’ [1376-89; MNW mere VII]. Hierbij hoort ook de homonieme afleiding mnl. meeren ‘begrenzen’ [1240; Bern.], zoals in gemeert ende gepaelt ‘begrensd en afgepaald’ [1378; MNW]. Verband met ohd. marawen ‘verbinden’ en met ohd. merien, mieren ‘(met een schip) aanlanden, aankomen’ is onzeker.
aanmeren ww. ‘een schip vastleggen’. Vnnl. Hier leght geen moede kiel noch zeejaght aengemaert [1660; iWNT]. Gevormd uit → aan en meren. Tegenwoordig is deze vorm gebruikelijker dan het simplex.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

meren* [een schip vastleggen] {me(e)ren [vastbinden] 1201-1250} oudhoogduits marawen [verbinden], ablautend nederduits vermoren, engels to moor [meren] → marlen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

meren ww., mnl. mēren, māren ‘binden, meren’, waarin blijkens de dial. vormen niet ê maar ē aan te nemen is. Daarnaast met rekkingstrap ô: oe. mærels-rāp ‘meertouw’, ne. moor, vgl. nnd. vermōren ‘meren’. — Met dentaal-suffix verder on. merðr m., ozw. mierder, nzw. mjärd, mjäl ‘fuik’. — Van de idg. wt. *mer ‘vlechten’ vgl. gr. mermís ‘draad’, mếrinthos ‘draad’, mērúomai ‘samenwikkelen’, russ. merëža ‘fuik’, litt, márška ‘groot net’, oiers braig (< *mragi) ‘ketting’ (Holthausen IF 48, 1930, 267 en IEW 733).

Op grond van de beschouwingen van J. Trier over de ontwikkeling van woordgroepen, die oorspr. werkzaamheden in het bos aanduidden en waaruit zich o.a. het vlechtwerk van jonge loten laat afleiden, wat verder voeren kan tot verschillende termen van de huisbouw, zou men aan deze wortel *mer ook woorden als merk en merkel kunnen aansluiten; maar dit blijft zeer hypothetisch.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] meren. In mnl. mnd. marren “wachten” is wsch. mede * marzôn (= ags. mearrian) opgegaan.

meren wnw., mnl. mēren (māren) “binden, meren”. Wij moeten mēren en niet mêren aannemen 1. wegens Goereesch mērə, 2. wegens den bijvorm mnl. māren, die veeleer evenals begāren naast beghēren, ontbāren naast ontbēren als een vorm met ā (d.i. æ̂) voor door rekking ontstane ē dan als een fri. vorm met â uit ai is op te vatten. Wij zullen wel van oerndl. *marwian moeten uitgaan en in de eerste plaats ohd. marawen, mhd. merwen “verbinden”, ofri. mere (*marwia-) o. “riem” vergelijken. Meren heeft dan misschien het vocalisme van den verleden tijd en het verleden deelw., terwijl mnl. merren, Teuth. marren, merren, Kil. marren (“Holl. Fris.”) “vasthechten” dat van den infin. vertoont. Of is ’t verschil dialectisch? Met dehnstufe ags. mæ̂rels “meertouw”, eng. to moor, ndd. vermôren “meren” (zonder w?). Buiten het Germ. kunnen ier. maraim “ik blijf”, lat. mora “oponthoud” — die ook anders beoordeeld worden — verwant zijn, maar ook gr. bráxai, brápsai; sullabeīn, brakeīn; suniénai (Hes.), márptō “ik grijp”, alb. mar̄ “id.”, verder ook desnoods lat. merx “koopwaar”, oi. mṛçáti “hij raakt aan” (zie echter melken); van een uit een dezer bases verlengd idg. mor-s- kunnen komen: mnl. merren, marren “laten wachten, hinderen, dralen, toeven, wegblijven, wachten, stilstaan” (nog archaïseerend gebruikt), ohd. marren, merren, os. merrian, ofri. mēria, ags. mierran “hinderen”, got. marzjan “ergeren”. Germ. *marwianan zou w < ʒw kunnen hebben en ’t naast met gr. márptō en brápsai; sullabeīn verwant zijn. Moeilijk te verklaren is os. gimierit, gimiarit “geland”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

meren. In pl.v. “ags. mæ̂rels” lees: “ags. mæ̂rels-râp v. ‘meertouw’”.
Als verwanten buiten het Germ. komen eerder in aanmerking gr. mḗruō ‘ik wikkel samen, wind op’, mérmi͂s, -īthos ‘draad’, waarbij ook wel gr. brókhos ‘strik, koord’, ier. braig ‘ketting’, obg. mrĕža ‘net, strik’ zullen behoren. Vgl. Holthausen IF. 48, 267. De germ. groep van mnl. merren, marren enz. (waarbij ook nog het -ôn-ww. ags. mearrian, waaraan mnl. marren kan beantwoorden: v.Wijk Aanv.), die misschien met ier. maraim ‘ik blijf’, lat. mora ‘oponthoud’ verbonden mag worden, blijft dan beter afzonderlijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

meren o.w., Mnl. id., bijvorm van marren 2.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

meren ‘een schip vastleggen’ -> Engels moor ‘een schip vastleggen’; Frans dialect marer ‘vasthouden d.m.v. trossen; aanvaren, aankomen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

meren* een schip vastleggen 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut