Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mentor - (wijze leidsman, raadgever)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

mentor zn. ‘wijze leidsman, raadgever’
Nnl. mentor ‘wijze leidsman, adviseur’ in hoe druk uw voorganger de Britsche Mentor het gehad heeft [1734; WNT druk II], mentor ‘leidsman, raadgever’ [1824; Weiland], als raadgever, als Mentor der ... jeugd [1860; WNT], iemand die zich opwerpt als mentor ... van 't publiek [1880; Groene Amsterdammer], mentor ‘leraar die een groep leerlingen begeleidt bij hun studie’ [1984; Van Dale].
Ontleend aan Frans mentor ‘wijze raadgever’ [1749; TLF], genoemd naar Méntōr, een vriend van Odysseus in het heldendicht van Homerus; het is mogelijk dat die persoonsnaam oorspronkelijk al ‘hij die raad geeft’ betekent, omdat het een afleiding met de betekenis ‘handelende persoon’ kan zijn van Grieks ménos ‘intentie, geest, intellect’.
Grieks ménos is verwant met: Sanskrit mánas- ‘geest, wilskracht’; Avestisch manah- ‘id.’; < pie. *menos, afleiding van de wortel *men- ‘(be)denken’, zie → manen 2 ‘herinneren aan’.
In de Odyssee van Homerus neemt de godin Athene de gestalte van Mentor aan, die dan tijdens de jarenlange afwezigheid van zijn vader de wijze raadgever wordt van Telemachos, de jonge zoon van Odysseus. In 1699 verscheen van de Franse schrijver François Fénelon de didactische roman Aventures de Télémaque; naar aanleiding van deze roman is Mentor een soortnaam geworden. Tegenwoordig ziet men ten onrechte in het laatste deel hetzelfde achtervoegsel als in conservator e.d., en vormt men hiernaast de vrouwelijke vorm mentrix.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mentor [leidsman] {1887} genoemd naar Mentōr, in Homerus' Odyssee de oudere, wijze vriend, die Telemachus met goede raad terzijde staat en hem in feite opvoedt.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mentor (Latijn mentor)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Mentor. Aldus betitelt men vaak een leeraar en leider der jeugd, terwijl ook tijdschriften voor het jonge volkje wel eens “Mentor” heeten. De naam is ontleend aan Homerus’ Odyssea, waarvan de hoofdpersoon Odysseus (bij de Romeinen Ulysses geheeten) na den val van Troje weer huiswaarts keert. Vóór zijn vertrek naar die stad – 10 jaar vroeger – had hij de zorg voor zijn huishouding opgedragen aan zijn vriend Mentor, die zijn bijzonder vertrouwen genoot en de leermeester was van zijn zoon Telemachus. Toen de laatste een tocht ging ondernemen om zijn vader Odysseus op te sporen, nam Athene (Rom.: Minerva, de godin der wijsheid) Mentors gedaante aan om den jongeling te begeleiden en van goeden raad te dienen. Wel een bewijs, hoezeer Mentor het vertrouwen van zijn leerling verworven had. Door het werk van den Franschen schrijver Fénélon: “Les aventures de Télémaque” kwam het woord Mentor in gebruik voor leider der jeugd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mentor ‘leidsman’ -> Indonesisch méntor ‘leidsman’; Papiaments mèntòr ‘leidsman’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mentor leidsman 1824 [WEI]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal