Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mens - (persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mens zn. ‘persoon’
Onl. mennisko ‘persoon’ in thaz tu mennisco werthes ‘dat je tot mens wordt’ [ca. 1100; Will.]; mnl. mensche ‘persoon’ in Alsemen danne enen mensche ontfan heuet ‘als men dan een mens heeft ontvangen’ [1236; VMNW]; nnl. ook ‘vrouwspersoon’ in het lykt een aartig lief mensch [1784; iWNT aardig].
Oude afleiding van → man met bijvoeglijke → -s < Proto-Germaans *-iska-, dat umlaut veroorzaakte.
Os. mennisko (mnd. minsche); ohd. mennisco (nhd. Mensch); ofri. man(ne)iska, men(ne)ska (nfri. minske); oe. mennisc ‘mensengeslacht, volk’ (me. mennish ‘id.’); on. mennska ‘menselijke aard’ (nzw. människa ‘mens’); < pgm. *manniskan-, het zelfstandig gebruikte bn. *mann-iska- ‘de mens betreffend’, dat zelf alleen is overgeleverd als oe. mennisc en got. mannisks ‘menselijk’.
Het woord heeft in de moderne Germaanse talen de algemene betekenis van man ‘mens in het algemeen’ grotendeels overgenomen en er worden dus zowel mannen als vrouwen mee aangeduid. Het woordgeslacht is vanouds zowel onzijdig als mannelijk. In het Duits wordt sinds de 15e eeuw de onzijdige vorm vooral gebruikt om vrouwen, vooral dienstboden, aan te duiden, sinds de 18e eeuw meest in laatdunkende zin. Een soortgelijke ontwikkeling is in het Nederlands opgetreden.
mensheid zn. ‘de gezamenlijke mensen’. Mnl. menscheit ‘het mens zijn, de menselijke natuur’ [1240; Bern.], ‘de gezamenlijke mensen’ in Dat die menscheit ghedoghede pine ‘dat de mensheid pijn verdroeg’ [1285; CG II]. Afleiding van → mens met het achtervoegsel → -heid. Mensheid duidt vanouds zowel de menselijke natuur als de gezamenlijkheid der mensen aan. In de eerste betekenis is het woord thans in het Nederlands en het Duits verouderd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mens* [hoogst ontwikkelde wezen] {mensch(e) 1236} oudsaksisch mennisko, oudhoogduits mennisco, oudfries menneska, oudengels mennisc, eig. een zelfstandig gebruikt bn., vgl. oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels mennisc, oudnoors menskr, gotisch mannisks [menselijk], afgeleid van man1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mens znw. m. o., mnl. mensce m., os. mennisko, ohd. mennisco (nhd. mensch), ofri. manniska, menneska m. ‘mens’. Substantivering van het bnw. os. mennisk, ohd. oe. mennisc, on. menskr, got. mannisks ‘menselijk’ < germ *manniska-, afl. van man.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mens znw., mnl. mensce m. = ohd. mennisco (nhd. mensch), os. mennisko, ofri. manniska, menneska m. “mensch”. De zwakke vorm van het bnw. germ. * manniska-, ohd. mennisc, os. mennisk, ags. mennisc, on. menskr, got. mannisks “menschelijk”, een afl. van ’t bij man besproken znw. Ags. komt mennisc o = “(de) menschen” voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mensch m., Mnl. mensche, Os. mennisko + Ohd. id. (Mhd. mensche, Nhd. mensch), Ags. mennisc, Ofri. menneska: het is een zelfst. gebr. bijv.nw. : Os., Ohd., Ags. mennisc, On. menskr, Go. mannisks = menschelijk: een afleid. met e = ä van man. Vergel. Skr. manuṣyas en Fr. humain = 1. menschelijk, 2. mensch.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

mins (zn.) 1. mens 2. echtgenoot 3vrouw; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) minse, Aajdnederlands mennisko <1100>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mens: redelike wese; Ndl. mens(ch) (Mnl. mensce), Hd. mensch, m. uml. van a uit man + Germ. suf. -isk (vgl. Got. mannisks), dus eint. gesubst. adj., ong. = “mensagtig/menslik”; in Afr. ook ’n mense koll.

mense: – mensig – , uitr. v. verbasing; ook Ndl. mensen as so ’n uitr.; maar in Afr. seker byg. aan mintig wat m. magtig as uitr. saamhang.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Het is niet goed, dat de mens alleen is of zij, het is beter voor een mens als hij niet alleen leeft.

Toen de eerste mens door hem geschapen was, concludeerde God: 'Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past' (Genesis 2:18, NBV). Daarop schiep hij een vrouw voor de eerste man. De uitspraak wordt nog veelvuldig gebruikt.

Liesveldtbijbel (1526), Genesis 2:18. Ten is niet goet, dat sie mensche alleen si.
[Kennismakingsadvertentie:] 'Het is niet goed voor de mens dat hij alleen blijft'. Een nieuw begin zou ik willen maken. Ik ben een n.r. weduwe van acad. (vr, ber.), praktiz. r.k. [...] (NRC, 14-8-1999, p. 40)
'Zo, heeft je opa een nieuwe vriendin?' 'Ja, het is niet goed dat de mens alleen zij.' (Voorbeeld, jaren '90)

De inwendige mens, de geest; gewoonlijk schertsend: het lichaam dat voedsel nodig heeft.
De inwendige mens versterken, eten.

In de bijbel is de uitdrukking de inwendige mens enkele malen gebruikt, steeds ter aanduiding van de innerlijke geestkracht van de mens in tegenstelling tot zijn zichtbare, uiterlijke omstandigheden. Zie bijvoorbeeld 2 Korintiërs 4:16 in de Statenvertaling (1637), 'Daerom en vertragen wy niet: maer hoewel onse uytwendige mensche verdorven wort, so wort nochtans de inwendige vernieuwt van dage te dage' (de NBG-vertaling spreekt hier van de uiterlijke en innerlijke mens, de NBV van ons uiterlijke en ons innerlijke bestaan). Wij hebben de uitdrukking niet in deze betekenis aangetroffen in ons materiaal. Veelvuldig komt wel het schertsende gebruik voor, waarbij de inwendige mens zoveel is als de maag, de ingewanden van de mens die voedsel verlangen, vaak in de verbinding de inwendige mens versterken. Samen met en onder invloed van de inwendige mens wordt soms ook gesproken van de uitwendige mens, waarbij dan niet-fysieke zaken worden bedoeld.

Liesveldtbijbel (1526), 2 Korintiërs 4:16. Daeromme en werden wi niet luesich, mair of onsen wtwendighen mensch verdwinet so wert nochtans dien inwendigen van dage te dage vernieuwet.
Het moreel van de ploeg hangt van drie factoren af: de balbehandeling, de balcontrole en de bal als zodanig. De vierde is de fysieke conditie van de boys. Strikt genomen zou je daar de psychische gesteldheid, de inwendige mens dus in de ruimste zin genomen, nog bij moeten voegen en dat doe ik dan ook. (G. Bomans, Adviezen van een oude rot & ander sportief proza, 1988, p. 73)
Het verloop van de avond had een genoeglijk karakter. Zo was er een Drentse taalquiz, en werden er allerlei soorten spelletjes gespeeld. Voor de inwendige mens waren er nieuwjaarsrolletjes en boerenjongens. (Meppeler Courant, jan. 1993)
Verder zijn er mogelijkheden te over om de inwendige mens tevreden te stellen. Het PSV-stadion bijvoorbeeld herbergt behalve restaurant Les Girondins ook brasserie Van Breukelen en de Benfica-bar. (NRC, maart 1995)
Bij café Huisman op de Lichtmis zal een pitstop worden gehouden om de inwendige mens te versterken. (Meppeler Courant, juli 1995)
Het buurtje is vrijwel weggesaneerd. Alleen ons huis van toen staat er nog en idealistisch ingestelde jongelui trachten hier de inwendige en uitwendige mensheid te verbeteren. 'U hebt geen idee hoeveel gifstoffen er door chemische onkruiden in het voedsel terecht komen', waarschuwde de jongeman mij achter de toonbank. (Meppeler Courant, okt. 1993)

De mens wikt, maar God beschikt, wat een mens ook bedenkt, uiteindelijk bepaalt God wat er gebeurt.

Deze uitdrukking is niet letterlijk uit de bijbel overgenomen, maar is mogelijk een parafrase van Spreuken 16:9, 'Het hart des mensen overdenkt zijn weg, maar de HERE bestiert zijn gang' (NBG-vertaling). Er wordt veel gevarieerd op deze uitdrukking, zoals we in de aanhalingen hieronder laten zien. Een verhaspelde variant is te vinden in de volgende aanhaling: 'Ik geloof in God, meneer, Die wikt en beschikt. Die geeft en neemt. U moet, in alle bescheidenheid, niet tussen Hem en Zijn beslissing komen' (B. Büch, Het dolhuis, 1994 (1987), p. 58-59). De uitdrukking komt niet terug in de NBV, die vertaalt met 'Een mens stippelt zijn weg uit, de HEER bepaalt de richting die hij gaat'

Liesveldtbijbel (1526), Spreuken 16:9. Des menscen herte ordineert sinen wech. Maer die HERE vordert sinen ganc. (Statenvertaling (1637): Het herte des menschen overdenckt sijnen wech: maer de HEERE stiert sijnen ganck.)
Het leven lag mooi en vol beloften voor haar. De toekomst lachte haar toe. Maar de mens wikt en God beschikt. (G. van Wageningen, Toen de dijken braken, Zomer & Keuning, 1993, p. 26)
Inzake taalgebruik geldt gelukkig nog altijd de 'Armada-regel': de taalwachter wikt, de taalgebruiker beschikt. (Onze Taal, 1992, nr. 2/3)
In Japan wikt de politiek en beschikt de bureaucratie. (NRC, feb. 1994)

De nieuwe mens, de mens die Gods genade heeft ontvangen; de moderne mens.

De nieuwe mens is terug te voeren op Efeziërs 2:14-15, 'Want hij is onze vrede, hij die met zijn dood de twee werelden één heeft gemaakt, de muur van vijandschap ertussen heeft afgebroken en de wet met zijn geboden en voorschriften buiten werking heeft gesteld, om uit die twee in zichzelf één nieuwe mens te scheppen' (NBV). De bijbelse betekenis is 'de mens die door Gods genade is wedergeboren'; in het hedendaags Nederlands wordt het ook regelmatig met de betekenis 'moderne mens, toekomstmens' gebruikt, al dan niet met een schertsende bijgedachte aan de bijbelplaats.

Liesveldtbijbel (1526), Efeziërs 2:14-15. op dat hi wt twee eenen nieuwen mensce soude sceppen.
Het gaat hierbij [bij innerlijke genezing door o.m. zelfacceptatie] niet alleen om het uitwerken van oude pijnen. Dat is wel een heel belangrijk en absoluut noodzakelijk onderdeel, maar is alleen echt mogelijk op grond van de wetenschap dat onder de pijnen de nieuwe mens schuilgaat met het scheppingsprincipe. (P. Rijntjes, Groeien naar waarheid, 1993)
[...] maar de arbeider die zich verwerkelijkt in de nieuwe wereld van techniek en rationele planning is nu zijn nieuwe mens. (NRC, maart 1995)

De oude mens, de aangeboren natuur.
De oude mens of de oude Adam afleggen, zedelijke of morele fouten afleren, veranderen ten goede.

De oude mens is zoveel als 'de aangeboren natuur' van een mens. Efeziërs 4:21-24, 'Door Jezus wordt duidelijk dat u uw vroegere levenswandel moet opgeven en de oude mens, die te gronde gaat aan bedrieglijke begeerten, moet afleggen, dat uw geest en uw denken voortdurend vernieuwd moeten worden en dat u de nieuwe mens moet aantrekken, die naar Gods wil geschapen is in waarachtige rechtvaardigheid en heiligheid' (NBV). In plaats van de oude mens spreekt men nu ook wel van de oude Adam, een variant die niet uit de bijbel stamt.

Liesveldtbijbel (1526), Efeziërs 4:21-24. So legt nv van v af, na die voorledene wandelinge, den ouden mensce, die doir lusten der dolingen verderft, Maer vernieut v inden geest ws gemoets, ende trect aen den nyewen mensce die na gode gescapen is, in op rechter gerechticheit ende heilicheit.
Als mijn oude mens weer eens goed zit vastgeklonken aan zijn kruis om daar te verbloeden en te vergaan, dan neem ik dàt kruis op met een vrolijk hart en ik kàn het niet laten, te làchen om de laatste stuiptrekkingen van mijn oude Adam. (O. Jager, De humor van de bijbel in het christelijk leven, p. 55)
Met instemming verhaalde Maerlant hoe de hand van een schilder die Jezus 'recht na Jupiters maniere' wilde afbeelden, ter plekke verdroogde, en alleen hij verklaarde met zoveel woorden dat niemand minder dan de Heilige Hieronymus bijna verdoemd was '[...] Omme dat hi so gerne las/ Heidine favelen [...]'. Het afleggen van de oude Adam bleef een langdurig en moeizaam proces. (R. Harper, Als God met ons is... Jacob van Maerlant en de vijanden van het christelijke geloof, 1998, p. 66)

Mensen van goede wil, rechtschapen mensen.

Deze verbinding is terug te vinden in Lucas 2:14 in katholieke bijbelvertalingen, die zich op het Latijn van de Vulgaat baseerden, bijvoorbeeld in de Canisiusvertaling (1929-1939). De katholieke Willibrordvertaling (1975) vertaalt met een formulering met welbehagen en verklaart in een kanttekening dat de vertaling mensen van goede wil nu is vervangen omdat door de menswording van God hij de mensen zijn genade, welbehagen kan schenken. De woorden zijn nu vooral bekend als titel van een roman van G. Walschap uit 1936 en van de veel later daarop gebaseerde televisieserie, Een mens van goede wil.

Leuvense Bijbel (1548), Lucas 2:14. Ende in die eerde vrede den menschen die van goeden wille sijn.
Zo'n stukje aan het barre asfalt ontwoekerd natuurschoon, waar de mensen, bij mooi weer in het gras, van goeden wille en zéér breekbaar liggen te wezen. (S. Carmiggelt, Morgen zien we wel weer, 1992 (1967), p. 69)
Wat ik bijvoorbeeld in organisaties als Greenpeace en Amnesty International zo interessant vind is, dat zij mensen samenbrengen die ongeacht hun achtergrond, hetzelfde ideaal hebben. Het zijn, zoals paus Johannes XXIII zei, mensen van goede wil. (Langs wegen van barmhartigheid. Gesprekken met bisschop Bär, 1996, p.60)

Zie de mens, uitspraak van Pilatus waarmee hij Jezus aan het volk toonde; nu gebruikt als min of meer nadrukkelijke aansporing om stil te staan bij de of een mens in zijn tragische of uitzichtloze situatie.

Het lijdensverhaal in het Johannesevangelie bevat een passage waarin de Romeinse procurator Pontius Pilatus, onder wie Jezus werd berecht, de gegeselde en vernederde Jezus nadrukkelijk aan het volk toont onder de woorden: 'Zie, de mens!' (Johannes 19:6, NBG-vertaling; de NBV heeft hier 'hier is hij, de mens'). Zelf zag Pilatus geen schuld in Jezus en hij hoopte door deze actie het woedende volk tot bezinning te brengen. In de Latijnse vorm is de uitspraak doorgaans een afbeelding van de lijdende Jezus (zie Ecce homo). We treffende deze uitspraak nog wel in literaire taal aan.

Leuvense Bijbel (1548), Johannes 19:6. Aldus is Jesus wtghegaen draghende een doorne croone, ende een purpuren cleedt, Ende hy seydt hen. Siet den mensch.
Zijn nietbestaan van daarvoor vat Koolhaas samen met: Zie de mens! Onzin. Niets te zien! (p. 148). (Vrij Nederland, 13-7-1974)
Zie de mens in al zijn onvermogen. (Titel van een recensie in De Morgen, 2-12-1994; over R. Dorrestein, Een sterke man.)

Mensenkind, mens; ook wel: jong mens, kind.

In de bijbel veelvuldig gebruikt voor 'mens'. Vergelijk Psalmen 14:2, 'De Here ziet neder uit de hemel op de mensenkinderen, om te zien, of er één verstandig is, één, die God zoekt' (NBG-vertaling). Ook de NBV gebruikt dit woord nog, zie bijvoorbeeld Jesaja 51:12, 'Hoe kun je dan bang zijn voor een sterveling, / voor een mensenkind dat vergaat als gras?'. In het hedendaags Nederlands in dezelfde betekenis, maar soms ook gebruikt als 'jong mens, kind'.

Statenvertaling (1637), Psalmen 14:2. De HEERE heeft uyt den Hemel nedergesien op de menschen kinderen, om te sien, of yemant verstandich ware, die Godt sochte.
Hoe verklaart een mensenkind, in wiens gemoed het ten aanzien van de meest aanbedene ter wereld zo hemelsblauw geworden is, zijn gevoelens het beste? Er wordt op dat stuk heel wat afgestotterd en gestameld. (Meppeler Courant, juli 1994)
Ieder mensenkind moet jaren studeren om van zijn ouders de betekenissen van de woorden te leren. (NRC, maart 1994)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mens (de -- wikt, maar God beschikt) (vert. van Latijn homo proponit, sed Deus disponit); (de -- is een gewoontedier) (vert. van Duits der Mensch ist ein Gewohnheitstier); (inwendige --) (vert. van Latijn interior homo)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Mensch (Os. mennisko) is een tot z.n.w. geworden adj. van man in bet. van persoon (zie Man); letterlijk is mensch dus: mansch = de denkende. Mogelijk ziet het grondw. op Mannus (zie Man), den stamvader der Germanen, en dan zou de bet. zijn: afstammeling van den stamgod.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mens ‘hoogst ontwikkelde wezen’ -> Frans dialect on drole di mèn'zik; on loyå mèn'zik; on grand bèn'zik ‘zonderling individu; luilak; groot persoon’; Zuid-Afrikaans-Engels mens ‘blanke, persoon’ ; Negerhollands mensch, mens ‘hoogst ontwikkelde wezen’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Mens, durf te leven! [liedregel] (1917). Tekstschrijver en zanger Dirk Witte (1885-1932) schrijft in 1917 het cabaretlied ‘Mensch, durf te leven!’ (‘Memento vivere’). Het eerste deel van de titel wordt spreekwoordelijk.
Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan [gevleugeld woord] (1905). Louis Couperus publiceerde in 1905 de roman Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan, waarvan de titel spreekwoordelijk wordt.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mens* (m.) hoogst ontwikkelde wezen 1236 [CG I1, 22]

mens* (o.) minachtend voor een vrouw 1784-1785 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

370. Van brood alleen kan de mensch niet leven,

d.w.z. ‘de mensch heeft hoogere dan aardsche behoeften, hij moet ook voeding en verkwikking hebben en zoeken voor zijnen geest’ (Zeeman, 115). Deze spreekwijze is ontleend aan Matth. IV, 4; vgl. ook het hd. Der Mensch lebt nicht vom Brot allein.

209. Bergen en dalen ontmoeten elkander niet, maar menschen wel.

Men bezigt deze zegswijze bij een zeer onverwachte ontmoeting. Ze komt bij ons eenigszins anders voor in de 17de eeuw bij De Brune, 224:

 d' Een mensch den ander wel ontmoet,
 Dat gheen gheberght' of heuvel doet.

Huyghens, Hofw. 645: Daer moeten sich, niet Bergen, maer menschen als mijn Bergh; V.d. Venne, 195: Menschen gemoeten malkanderen meer dan de vaste Bergen; Gew. Weuw. III, 17: Huizen en boomen ontmoeten den ander niet, maar menschen wel; Esopus, Het Cremoneesche Vreugdevuur: Immers is 't waar, dat bergen, en daalen malkander niet ontmoeten, maar menschen al. Tuinman II, 102 citeert haar in den tegenwoordigen vorm: Bergen en dalen ontmoeten malkanderen niet, maar wel menschen; dit zegt men van zulke, die malkanderen onverwacht in vreemde gewesten bejegenen en aantreffen; Sewel, 572: Bergen ontmoeten malkander nooit, maar menschen somtyds. Vgl. verder Harreb. I, 47 b; fri.: Bergen mette in-oar net, mar minsken wol; ook Antw. Idiot. 1228: Boomen komen malkanderen niet tegen, maar menschen wel (zoo ook bij Rutten, 35 b; Tuerlinckx, 614); Waasch Idiot. 646 a: Bergen komen malkander niet tegen, maar menschen wel, ik zal mij wreken; evenzoo bij Teirl. 126 in den zin van: ‘wij zullen malkaar nog wel ontmoeten en dan zullen we eens voor goed afrekenen’. De zegswijze is in vele talen bekend; ook in het Arabisch en onder de negers in Suriname en de Deensche Antillen; vgl. D.C. Hesseling, Het Negerhollands der Deensche Antillen, 130: Bergi mit bergi no kan tek, ma twee mens sal tek; Wander I, 312; 313. Vgl. fr. il n'y a que les montagnes qui ne se rencontrent pas; hd. Berge kommen nicht zusammen, aber Menschen wohl.

378. De brutalen hebben (of een brutaal mensch heeft) het derde deel van de (of de halve) wereld.

Deze meening wordt in de 16de eeuw uitgedrukt door d'Onschamelen hebben de twee derdendeelen van de Werelt (Coornhert, Maeghdekens Schole, fol. 395 r); Campen 114: Die onschamelen hebben t'dordendeel van der werelt (evenzoo Spreuken, 55); Sart. III, 2, 41: De onbeschaemde hebben het derdendeel des werelts; III, 9, 8: Stoute lieden hebben het derde deel van de Wereldt; Coster, 512, vs. 475:

 Dan moocht ghy gaen ghestickt, gheprickt en gheperelt:
 Want onbeschaemde luy, hebbe toch het derdendeel van de werelt.

Tuinman I, 69: De onbeschaamde menschen hebben het derde deel van de wereld; II, 102; Harreb. I, 123: III, 154: Assurante (of Onbeschaamde) menschen hebben het derde deel (of de helft) van de wereld; Ndl. Wdb. X, 1029: Onbeschaamde menschen hebben het derde deel der wereld in pacht; Loosjes, Bronkh. 3, 159: Vrypostige Lieden hebben een derde deel der wereld; Nest, 27: Hij vond dat een brutaal mensch de halve wereld heeft; De Arbeid, 8 April 1914, p. 4 k. 3: Hoe brutaler hoe liever. Een brutaal mensch heeft immers de halve wereld! 6 Maart 1915, p. 4 k. 4: Wat anderen niet mogen dat mag ‘Het Volk’. Daarvoor huldigen zij aan dien kant de spreuk: ‘De brutalen hebben de halve wereld’; Handelsblad, 17 Aug. 1915 (ochtendbl.) p. 2 k. 3: Ook hier werd echter weer bewaarheid dat een brutaal mensch de halve wereld heeft; fri. de drysten hawwe de wrâld.

1501. Den ouden mensch afleggen.

Deze woorden zijn ontleend aan Ephes. IV, 22-24: ‘Dat ghy soudet afleggen aengaende de vorige wandelinge den ouden mensche, die verdorven wort door de begeerlickheden der verleydinge.... ende den nieuwen mensche aendoen, die na Godt geschapen is in rechtveerdicheyt ende heylicheyt.’ De apostel wil met deze woorden zeggen dat er bij de Christenen eene zedelijke verandering moet plaats hebben. ‘Zij worden evenwel onder ons als scherts gebezigd om aan te duiden, dat men de gewone wekelijksche verwisseling van linnen ondergaat; daarom wordt ook het woord uitschudden voor afleggen in de plaats gesteld’. Zie Zeeman, 377; Stellwagen, Roomsche woorden, 67 en vgl. Vondel, Maria Stuart, 232; Halma, 478; Afrik. die ou mens aflê, en no. 49.

2578. De mensch wikt en (of maar) God beschikt,

d.i. 's menschen willen en wenschen komen niet altijd overeen met den wil van God; immers die man penst ende God een anderMnl. Wdb. II, 536., zooals men in de middeleeuwen zeide. De gedachte is ontleend aan den Bijbel, Spreuken XVI, 9: Het herte des menschen overdenckt sijnen wech: maer de Heere stiert sijnen ganck; vgl. ook vs. 1; XIX, 21; Smetius, 124: Menschen mogen micken, Gott sal het schicken; Vondel, Jos. in Egypten, 1409: Maer anders schickt de mensch, en anders is 't beschoren; Harreb. I, 241 a; Ndl. Wdb. V, 206; Taalgids IV, 260; afrik. die mens wik maar God beskik; Joos, 194: de mensch mikt, God beschikt; de menschen maken den almenak en God het weer (hd. der Mensch macht Kalender, Gott das Wetter); lat. homo proponit, Deus disponit; hd. der Mensch denkt, God lenkt (Wander III, 593); fr. l'homme propose et Dieu dispose; eng. man proposes, God disposes.

2654. Een mensch zijn zin, is een mensch zijn leven,

d.w.z. als men datgene doet, wat men aangenaam vindt, heeft men genoegen in het leven; wanneer men het ambt zijner keuze waarneemt, doet men dat met genoegen; vandaar: ieder moet weten waar hij trek in heeft; Ndl. Wdb. VI, 550. Vgl. Gruterus I, 115; De Brune, 340:

 Des mensches wil, 't zy arm of rijck,
 Dat is geheel zijn hemel-rijck.

Snorp. I, 27: Een mensch sen sinlickheyt is sen hemelrijck; Coster, 15, vs. 189; W.D. Hooft, Stijve Piet 2 r: Ien mensch syn sinlyckheit, seghme, is ien mensch syn hemelrijck; Tuinman, I, 231; 304: Ymands zinnelykheid is zyn hemelryk, dat wil zeggen, t' is ymands lust, vermaak en genoegen, wanneer hy 't naar zynen zin heeft; W. Leevend, I, 273: Een menschen zin is een menschen leven; C. Wildsch. IV, 303; Harreb. I, 302 b; Taalgids, V, 168; Ndl. Wdb. VI, 560; Waasch Idiot. 764: 's menschen zin is 's menschen leven; Wander, V, 241; hd. die Lust des Menschen oder des Menschen Wille ist sein Himmelreich (Wander III, 288); eng. a man's will is a man's heaven; my mind to me a kingdom is (Byrd); fri. in minske sin is in minske libben.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut