Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mennoniet - (doopsgezinde)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mennoniet [doopsgezinde] {1578} net als menist een afleiding van de voornaam van Menno Simonsz (1496-1561).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

Men(n)ist m., naar Menno Simonsz (16e eeuw).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Mennonieten, Mennisten of Doopsgezinden. De stichter dezer godsdienstige sekte is Menno Simons, in 1482 te Pingjum geboren. Hij wilde de Wederdoopers in Duitschland en de Nederlanden vereenigen, door de dweepzieke elementen uit te sluiten, om alzoo te bewerken, dat de vervolgingen tegen hen ophielden. Daar hij evenals de Wederdoopers den kinderdoop verwierp, werden zijn volgelingen met de Wederdoopers vereenzelvigd en eveneens vervolgd, zoowel door Katholieken als Protestanten. Zij stonden aan allerlei bespotting bloot. Zoo sprak men o. a. van een “Mennistenleugen”, waarmee men een waarheid bedoelde, die eigenlijk een sluw ingekleede leugen was. Volgens het verhaal – dat echter niet bewezen is – zat Menno Simons eens in een reiswagen, toen een dienaar van het gerecht hem daar kwam zoeken. Op de vraag van dezen, of M. S. ook in den wagen zat, antwoordden diens mede-reizigers van neen, waarop hij zelf tot den politie-dienaar zeide: “De heeren zeggen van neen.” Ook sprak men van den “Mennistenhemel”, d. w. z. de Vechtstreek, waar vele rijke Mennonieten uit Amsterdam hun buitenplaatsen hadden.
De Doopsgezinden hebben geen verplichte geloofsbelijdenis; de doop wordt bij hen alleen na het ontvangen godsdienstonderwijs toegediend op grond van de woorden uit den Bijbel: “Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.” Verder verwerpen zij het zweren van den eed (“Zweert ganschelijk niet; uw ja zij ja, uw neen zij neen!”) en den krijgsdienst (“Wie het zwaard trekt, zal er door vergaan”). Nadat er verschillende richtingen onder hen ontstaan waren, werden zij weer in 1811 vereenigd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mennoniet ‘doopsgezinde volgeling van Menno Simonsz’ -> Deens mennist ‘doopsgezinde volgeling van Menno Simonsz’; Frans mennonite ‘doopsgezinde volgeling van Menno Simonsz’; Pools menonita, menonicki ‘doopsgezinde volgeling van Menno Simonsz’; Lets menonīti ‘doopsgezinde volgeling van Menno Simonsz’; Litouws menonitai ‘doopsgezinde volgeling van Menno Simonsz’; Hongaars mennoniták ‘doopsgezinde volgeling van Menno Simonsz’; Esperanto menonito ‘doopsgezinde volgeling van Menno Simonsz’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mennoniet doopsgezinde 1578 [WNT verhaand]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal