Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

meniscus - (kraakbeenschijf in het kniegewricht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

meniscus zn. ‘kraakbeenschijf in het kniegewricht’
Nnl. meniscus ‘glas dat aan den enen kant bol, en aan den anderen kant hol geslepen is’ [1824; Weiland], ‘halvemaanvormig kraakbeen tussen sommige gewrichten’ [1847; Kramers], ‘hol of bol vloeistofoppervlak’ in een buisje ... doet er kwik in, dan vertoont het een hollen meniscus [1895; WNT zilver I], ‘knieschijf’ in bij het beoefenen van sport ... een draaiende beweging ... de meniscus wordt daarbij gekwetst [1934; Vaderland].
Ontleend aan wetenschappelijk Neolatijn meniscus ‘lens die hol aan de ene en bol aan de andere zijde is, halvemaanvormige kraakbeenschijf’, ontleend aan Grieks mēnískos ‘maansikkel, halvemaan’, letterlijk ‘maantje’, het verkleinwoord van mḗnē ‘maan’, verwant met → maan. De betekenis ‘lens’ is voor het eerst aangetroffen in 1611, bij de Duitse astronoom Johannes Keppler. De anatomische betekenis is ontstaan in het Frans [1823; OED].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

meniscus [knieschijf] {1886} < modern latijn meniscus, gevormd van grieks mèniskos [maantje, maanvormig lichaam], verkleiningsvorm van mènè [maan].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

meniscus (modern Latijn meniscus)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

bolle meniscus Omstreeks 1975 gebruikt door medische studenten in Utrecht. ‘Het was een kunst’, schreef een informant, ‘om de schenker te verleiden tot een bepaald natuurkundig fenomeen, namelijk dat er meer jenever werd geschonken dan er in het glas kan. Dankzij de oppervlaktespanning ontstond er boven de glasrand een heuveltje met jenever, zonder te overstromen: de bolle meniscus.’ Er bestaan veel namen voor een borrel met een kop erop. Zie voor een opsomming bij over-het-IJ-kijkertje.

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Meniscus (Gr. μηνίσκος (mênískos) = dem. ν. μήνη (mênê) = maan). Begrenzing van een vloeistofoppervlak (in aanraking met een andere vloeistof of damp) in een nauwe buis; maantje genoemd wegens den (meestal) gebogen vorm van de verticale doorsnede.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

meniscus kraakbeenschijf in het kniegewricht 1886 [WNT vier I] <modern Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal