Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mengen - (door elkaar werken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mengen ww. ‘door elkaar werken’
Mnl. mingen ‘mengen’ [1240; Bern.], mengen [1477; Teuth.].
Os. mengian; ohd. mengan (nhd. mengen); ofri. mendza, menga (nfri. minge); oe. mengan; < pgm. *mangjan- ‘(ver)mengen’. Hierbij horen ook het bn. mnl. ghemanc ‘gemengd, verbonden’ en het voorzetsel manc ‘tussen’ en eng. among.
Verwant met: Litouws mìnkyti ‘kneden’; Oudkerkslavisch mękŭkŭ ‘zacht’, mǫčiti ‘kwellen, pijnigen’; en misschien met Grieks mássein ‘kneden’; Oudiers mácate ‘verbrijzeld’; bij de wortel pie. *menk-, *monk-, *mnk- (IEW 730-731, LIV 438).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mengen* [stoffen door elkaar brengen] {1201-1250} oudhoogduits mengen, oudsaksisch mengian, oudfries mengia, naast mendz(i)a, oudengels mengan; buiten het germ. grieks massein, litouws minkyti [kneden], oudkerkslavisch mǫka [meel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mengen ww. mnl. menghen, minghen, os. mengian, ohd. (frank.) mengen, ofri. mengia, menzia, oe. mengan (vgl. ne. mingle). Uit het nd. is ontleend on. *mengja (alleen overgeleverd mengjaðr, mengðr en menginn). vgl. nnoorw. mengja, nzw. mänga, nde. menge. — Verder behoort tot dit ww. nog mnl. ghemanc bnw. ‘gemengd, verbonden’, als bijw. ‘dooreen, gezamenlijk’, voorz. manc ‘onder, tussen’, mnd. mank, mangt, manket, mankent, mangen, mhd. manc, mang, ofri. mong, oe. gemong ‘gemengd, verbonden’, verder os. gimang, oe. gemong o. ‘schaar, troep’, os. an gimang(e), oe. on gemong (ne. among) ‘onder, tussen’. — oi. mácate ‘verbrijzelen, bedriegen’, mankú- ‘zwak, wankelend’, gr. mássō (< *mṇk-i̯ō) ‘drukken, kneden’, lit. mínkau ‘kneden’, mìnkštas ‘week’, osl. mękuku ‘week’, russ. mjakiš ‘het weke van brood’, en abl. osl. mǫka ‘meel’ (IEW 730-731).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mengen wnw., mnl. menghen, minghen. = ohd. (frank.) mengen (nhd. mengen), os. mengian, ofri. mengia, menzia, ags. mengan (eng. de afl. to mingle) “mengen”. Uit het Mnd. laat-on. menginn, meng(ja)ðr “gemengd”, de. mænge, zw. mänga “mengen”. Bij dit wgerm. *maŋgian hooren mnl. ghemanc bnw. “gemengd, verbonden”, bijw. “dooreen, gezamenlijk, geheel”, manc voorz. “onder, tusschen”, mhd. manc, mang, mnd. mank, mangt, manke(n)t, mangen, ofri. mong, ags. gemong “id.”, os. gimang, ags. gemong o. “schaar, troep”, os. an gimang(e), ags. on gemong (eng. among) “onder, tusschen”. Wij moeten voor de germ. basis maŋʒ- de bet. “dooreenmengen” aannemen en uitgaan van de idg. basis meŋq -, moŋq- “kneden, mengen”, waarvan ook gr. mássō “ik kneed” (*meŋqjô), obg. mąka “meel”, mękŭkŭ “week”, lit. mínkau, mínkyti “kneden”, misschien ook ier. maistre “botervat” komen. Of oi. mâcate “hij verbrijzelt”, maŋkû- “zwak, wankelend” verwant zijn, is wegens de bet. dubieus; veeleer zijn beide — maŋkû- in de eerste plaats — met lat. mancus “kreupel” verwant.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

mengen (slot). Met oi. mácate ‘hij verbrijzelt’, maŋkú- ‘zwak, wankelend’ zijn uit het Germ. wellicht verwant ohd. mangôn, mangolôn ‘ontberen, missen, ontbreken’ (hd. mangeln; uit het Hd. ndl. mangelen ‘ontbreken’, dat sedert de 16e eeuw en het znw. mangel, dat sedert Kil. voorkomt). Lat. mancus ‘kreupel’ of hierbij of een afl. van manus ‘hand’; voorts kan ook lit. men͂kas ‘klein’ verwant zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mengen o.w., Mnl. menghen, Os. mengian + Ohd. mengen (Mhd. en Nhd. id.), Ags. mengan (Ing. to mingle), Ofri. mengia + Gr. mássein = kneden, Osl. mąka = meel, Lit. míkyti = kneden: Idg. wrt. menq; daarnevens nasaalloos Lat. macerare = murw maken, Lett. mākt = drukken; ook het verwante mag͂ in maken; niet verwant met Hgd. mischen (z. mastel).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

minge (ww.) mengen; Vreugmiddelnederlands mingen <1240>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

mengen (mong, heeft gemongen), mengen. Wanneer hij [blanke kinderverwekker] zich vergiste en bloed mong, kreeg je mesties* (Cairo 1980c: 141). Omdat hij was twee-godsdienstig! Hindoe, Islam! Kon hij helpen in zo’n gemongen gemeenschap? (Cairo 1978b: 383) - Etym.: In AN is de verbuiging: mengde, heeft gemengd.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Mengen, van den Westgerm. wt. mang = mengen, dat mogelijk verwant is met den Idg. wt. meng = kneden. (Het deegkneden is ook een mengen.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mengen ‘stoffen door elkaar brengen’ -> Deens mænge ‘bemoeien’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors menge ‘stoffen door elkaar brengen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds mänga ‘stoffen door elkaar brengen’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands mengel, mingel ‘stoffen door elkaar brengen, vermengen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mengen* stoffen door elkaar brengen 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2522. Water in den (of zijn) wijn doen (of mengen),

d.w.z. zijne eischen matigen, inbinden ‘omdat de omstandigheden, het welbegrepen eigenbelang, de macht of wil van derden daartoe dwingen’. Iemand, die wijn vermengt met water, verdunt hem, maakt hem minder krachtig; bij overdracht op eischen, voorwaarden toegepast, deze verminderen, minder streng maken. De uitdrukking is in dezen zin bekend sedert de 16de eeuw. Vgl. Despars, II, 176: Dat die coninck.... intijts zijn advijs verandert ende watere in zijn wijn ghedaen hadde, grootelix verzoetende ende verlichtende die poincten ende articlen van den paeyse; Anna Bijns, Refr. 60:

 Omdat daer so menich rijc, groot cadet
 Mede (met Luthers Doctryne) is besmet,
 Vreesen de predicanten schade en pijn.
 Sij sorgen om die waerheit vervolcht te sijne;
 Voor 't geloove en wilt niemant laten sijn crage.
 De wijnroeyers mingen dwater metten wijne.

Voor lateren tijd vergelijke men Winschooten, 348; 361; Huygens, Korenbl. II, 203; Hooft, Brieven, 161; Pamfl. Muller no. 630 (anno 1608), bl. 21 v; Spaan, 244; Tuinman I, 115; Halma, 768: Water in zijnen wijn doen, zijne gramschap of driften matigen; Sewel, 941: Water in zynen wyn doen, to temper one's wine with water; to moderate one's eagerness; to cool one's heat or spirits; Harreb. II, 440; afrik. water in mens se wijn gooi. In Zuid-Nederland: water bij zijne(n) wijn doen. Ook in 't Fransen: mettre de l'eau dans son vin.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut