Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

menen - (bedoelen, een opinie hebben)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

menen ww. ‘bedoelen, een opinie hebben’
Onl. menen ‘in de zin hebben, bedoelen’ in thaz thu nicht anderes thar mide nemeynas newara mina minna ‘dat je daarmee niets anders bedoelt dan mijn liefde’ [ca. 1100; Will.]; mnl. menen ‘denken, bedoelen’ in Lutgarden meinic van senttruden ‘ik bedoel Lutgard uit Sint-Truiden’ [1265-70; VMNW], ‘van mening zijn’ in Ooc meenic dat ghi noch wel sout bi nacht int duuster gaen sonder dwalen ‘ook denk ik dat u zelfs wel bij nacht in het duister zou kunnen rondlopen zonder te verdwalen [1475; MNW]’; nnl. ook ‘van plan zijn’ in Als hy meynt te reysen ‘als hij van plan is om op reis te gaan’ [1635; WNT].
Os. mēnian; ohd. meinen (nhd. meinen); ofri. mēna ‘bedoelen’ (nfri. miene); oe. mǣnan (ne. mean); < pgm. *mainjan ‘menen, vermelden’, afleiding van *maina- ‘wederzijds, gemeen’ < pie. *moino-, waarvoor zie ook → meineed.
Verwant met: Oudiers mīan ‘wens, verlangen’ (< *mein-); Oudkerkslavisch meniti ‘vermelden’; < pie. *mein-, *moin- ‘wissel, ruil’, dat behoort bij de wortel pie. *mei- ‘wisselen, ruilen’ (IEW 710). De oorspr. betekenis zou zijn ‘afwisselend spreken, zijn mening uiten’.
mening zn. ‘oordeel, opinie’. Mnl. meninghe ‘bedoeling, wil, mening’ in met meningen des heren van den gronde ‘met de wil van de eigenaar van de grond’ [1283; VMNW]. Afleiding met het achtervoegsel → -ing van menen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

menen* [bedoelen, denken] {1265-1270} oudsaksisch menian, oudhoogduits meinen, oudfries mena, oudengels mænan (engels to mean); buiten het germ. oudiers mían [wens].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

menen ww. mnl. mênen, mienen, meinen ‘beogen, bedoelen; een goede gezindheid koesteren, liefhebben; betekenen; menen, denken, wanen, oordelen’, os. mēnian ‘menen, van plan zijn, vermelden, betekenen’, ohd. meinen ‘menen, denken, zeggen, verklaren’, owfrí. mēna ‘bedoelen, betekenen’, oe. mænan ‘bedoelen, betekenen, vermelden’ (ne. mean). De grondvorm is *mainian naast mainōn. — oiers mīan o. ‘wens, verlangen’ (< *meino-), osl. měnjǫ měniti ‘vermelden, houden voor’ (IEW 714).

Uit osl. izměniti ‘wisselen, ruilen’ leidt J. Trier, Fschr. Fr. Maurer (1963) 60-76 af, dat dit woord samenhangen zal met de groep van gemeen. Hij wijst er op, dat men moet uitgaan van de bet. ‘zijn mening uitspreken’ en wel in de kring van een beraadslaging in een gemeenschap, waar ieder lid op zijn beurt zijn oordeel moet uitspreken. Daarin ligt dan tevens besloten, dat de mening slechts een betrekkelijke geldigheid kan hebben, daar zij slechts een individueel oordeel weergeeft. Zo loopt dus ook hier de ontw. van ‘omheining’ (vgl. lat. moenia) > ‘gemeenschapskring’ > ‘handeling verricht binnen deze kring’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

meenen ww., mnl. mênen in dgl. bett. als nnl. meenen, ook = “beminnen”. = ohd. meinen “meenen, denken, zeggen, verklaren” (nhd. meinen), os. mênian “meenen, van plan zijn, vermelden, beteekenen”, owfri. mêna “bedoelen, beteekenen” (oofri. alleen mêne v. “voornemen”), ags. mæ̂nan “id., vermelden” (eng. to mean). Opvallend is de ndl. ê: ’t uit *mainian te verwachtene meinen komt mnl. en nog dial. voor. Als ook ags. mæ̂nan “klagen” hiermee identisch is, zouden wij met ’t oog op eng. to moan, ags. *mânian “id.” ook voor ndl. meenen een grondvorm *mainôn kunnen aannemen. Verwant met ier. mian “desiderium”, misschien oudlat. (Duenos-inscr.) meinom (als de bet. “wensch, plan” is) en mind. meñati “hij meent”; ksl. měnją, měniti “meenen” kan identisch wezen met germ. *mainianan, maar ook uit ’t Germ. ontleend zijn. Gr. menoináō “ik ben van plan” is ten onrechte uit *me-moin-ā- verklaard en met meenen gecombineerd. De bases mein-, moin- en men-, mon- (zie manen II) zijn bezwaarlijk van elkaar te scheiden, ofschoon de betrekkingen duister zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

meenen o.w., Mnl. meenen, Os. mênan + Ohd. meinen (Mhd. en Nhd. id.), Ags. mǽnan (Eng. to mean) + Osl. méniti: Idg. wrt. men = bedoelen, verwant met den wortel van manen en minnen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

meine (ww.) denken; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) meijne, Vreugmiddelnederlands menen <1265-1270>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

meen ww.
Beteken.
Uit Eng. mean.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Manen, van den Idg. wt. men = denken; manen is dus: doen denken, herinneren. Verwant is: meenen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

menen ‘bedoelen, denken’ -> Deens mene ‘bedoelen, denken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors mene, meine ‘bedoelen, denken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds mena ‘bedoelen, denken’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins meinata ‘bedoelen, denken’ ; Negerhollands meen ‘bedoelen, denken’; Papiaments men, mèn ‘bedoelen, willen zeggen, in ernst bedoelen’; Saramakkaans méni ‘bedoelen, denken’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

menen* bedoelen, denken 1265-1270 [CG Lut.K]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2304. Elk meent zijn uil een valk te zijn,

d.w.z. ieder houdt het zijne (zijne kinderen, zijn werk, zijn liefje) voor uitnemend; lat. quisquis amat ranam, ranam putat esse Dianam; fri. elts mient dat syn ûle in falk is, waarvoor ook gezegd wordt elts hâldt syn eigen protter (spreeuw) for in lyster. Ook een uil wordt, evenals de valk, gebruikt voor de vogelvangstZie Chomel II, 1262-1263.; vandaar dit spreekwoord, dat wordt aangetroffen bij Spieghel, 285; Cats I, 417:

 Siet! 's vrijers gunstigh oogh dat kan de schoonheyt maken;
 Elck acht sijn uyl een valck, en boven eygen mal,
 Soo wil men dat het volck het soo geloven sal.

Zie ook Smetius, 189: Eenen jeghelicken dunckt sijn uyltjen, een guyltjen; bl. 265: Elck een dunckt sijn uyltje een duyfjen te zijn; De Brune, 43; 462; Bank. I. 282; Pasquilmaecker, 28: Ider meent toch syn Uyl een Valck te sijn, en heeft sijn liefje lief, schoon wasse besnot; Paffenrode 76; Rotgans, Boerekermis (anno 1790), bl. 33: Elk noemt zijn Uil een Valk, zijn koekoek Nachtegaal; Tuinman I, 83; Sewel, 807: Elk meent dat zyn uil een valk is, every one thinks his own geese swans (ook every mother thinks her sprats are herrings); Harreb. II, 350; Antw. Idiot. 1279: iederen uil meent dat zijn jongen valken zijn; Joos, 176: ieder uil meent zijn jong een valk te zijn; en vgl. het hd. jeder hält seine Eule für einen Falken oder jeder sieht seine Eule für eine Nachtigall an, dat herinnert aan De Brune, Bank. I, 379: Elck meent, dat zijn koeckoeck fraeyer zinght, als een anders nachtegael.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut