Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

men - (niet nader genoemde, bepaalde persoon of personen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

men vnw. ‘niet nader genoemde, bepaalde persoon of personen’
Onl. man ‘men’ in also man irsoukit siluer ‘zoals men zilver onderzoekt’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. dat men uele gerne horen mag ‘dat men zeer graag zal horen’ [1200; VMNW].
Hetzelfde woord als → man, waarvan de klinker in onbetoonde positie verzwakte tot sjwa en als -e- werd geschreven. Het betekent dus letterlijk ‘een mens’. Tegenwoordig hanteert men de spellinguitspraak /men/.
Ook in andere Germaanse talen trad deze ontwikkeling op: os. man; ohd. man (nhd. man ‘men’, naast Mann ‘man’); ofri. ma (nfri. vero. me, nu men /mən/ met -n onder invloed van het nnl.); oe. man, mon; on. maðr (nzw. man). Op een vergelijkbare manier is Frans on ‘men’ ontstaan uit Latijn homo ‘mens’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

men* [onbepaald vnw.] {1200} verzwakte vorm van man [mens].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

men onbep., vnw. mnl. men, mnd. men in onbetoonde positie uit man ontstaan, hetzelfde woord als man, dus eig. ‘een mens’. Evenzo worden gebruikt onfrank. os. ohd. man, ofri. ma, oe. man, mon, on. maðr. — Zo gaat ook het fra. on op lat. homo ‘mens’ terug.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

men onbep. vnw., mnl. men. Evenals mnd. men “men” met vocaalverzwakking bij zwakke betoning uit *man “id.” = man znw.: oorspr. bet. “een mensch”. Eveneens komen = “men” voor: onfr. ohd. (nhd.) os. man, ofri. ma, ags. man, mon, on. maðr. Uit ’t Got. kennen we ni manna als onbep. vnw. = “niemand”. Vgl. het gebruik van *wiχti- “ding” in vnww. die “iets” en “niets” beteekenen (zie iets). Vgl. ook fr. on “men”, dat op lat. homo “mensch” teruggaat.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

men voorn., Mnl. id., Os. man + Ohd. id. (Mhd. en Nhd. id.), Ags. id., is de proklitische nomin. van ’t nw. man en = een mensch; vergel. Fr. on uit Lat. homo.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

me (onbep. vnw.) men; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) men, Aajdnederlands man <901-1000>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Men, van man, zie Man; in de bet. van persoon, mensch. (Vgl. ’t Fr. on van homme, Lat. homo = mensch.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

men ‘onbepaald voornaamwoord’ -> Fries men ‘onbepaald voornaamwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

men* onbepaald voornaamwoord 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut