Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

meisje - (vrouwelijk kind)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

meisje zn. ‘vrouwelijk kind’
Mnl. knape of meicin ‘knecht of dienstmeisje’ [1236; VMNW meisin], de meiskine ‘de meisjes’ [1285; VMNW], meytken ‘meisje’ [1343-44; MNW meitkijn], met wijfs melke die .1. meyskiin zoget ‘met de melk van een vrouw die een meisje zoogt’ [1351; MNW-P], meysken ‘meisje’ [1434-36; MNW-R]; vnnl. meydsken [1599; Kil.], een meysjen [1600; WNT aluin II].
In het Middelnederlands bestonden verkleinwoorden van → meid met verschillende verkleiningsachtervoegsels, al dan niet met assimilatie van de slotklank van de stam. Eén daarvan is meisin (< *magit-sīn), later verzwakt tot meisen, bij Kiliaan meyssen en nu nog gewestelijk Vlaams meissen ‘meisje, meid, dochter, dienstmeisje’. Een ander is meitken (< *magit-kīn). Daarnaast met gestapelde achtervoegsels meysken of meydsken. Later werd in de standaardtaal -tje het standaardverkleiningsachtervoegsel, met nevenvorm -je na s, en werd meisje de gewone vorm. De -s- is dus een relict van een oud verkleiningsachtervoegsel en is niet ingevoegd als overgangsklank na velare medeklinkers (De Vries 1924).
Lit.: M. Philippa (1986), ‘Van Woord tot Woord, Verkleinwoorden 1’, in: Onze Taal 55, 117; W. de Vries (1924), ‘De verkleinuitgangen in de Nederlanden’, in: TNTL 43, 105-122, hier 109 e.v.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

meisje* [vrouwelijk kind] {1629, vgl. meiskijn 1285} verkleiningsvorm van middelnederlands meisen, dat net als meid gevormd is van maagd, met een vermoedelijk affectieve s.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

meisje znw. o., reeds in de 15de eeuw holl. meistgin naast mnl. meiskijn, meisken en noordholl. meissen, maastr. meidskə (Kiliaen meydsken, meydsen). In deze vormen is het suffix -skijn, -sijn, die oorspr. alleen na velaire consonanten voorkwam (W. de Vries Ts. 43, 1924, 109 vlgg.), vgl. jongske, waarnaar dan meiske gevormd is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

meid znw., mnl. (zelden en noordelijk) meit (d) v., Kil. meyd “Fris., Sicamb. Holl.”. Een oorspr. noordndl. vorm, van denzelfden oorsprong als maagd. Vgl. voor de ei brein. Vgl. ook mhd. meit (nhd. maid) v. “jonge vrouw, meisje, maagd, meid”, ’t Demin. meisje o. is een noordndl. (holl.) vorm, die sedert ± 1600 voorkomt naast ’t reeds mnl. meiskijn, meskijn o., waarnaast weer — vooral noordndl. — meissen o. “meisje”. De vormen zijn niet klaar, zooals trouwens de ndl. deminutiefformatie in ’t algemeen nog allerlei onopgeloste quaesties oplevert; in ieder geval echter mogen wij er afll. van meid in zien met demin.-formantia, die met s beginnen: vgl. Kil. meydsen, meydsken, Maastr. mèidskə “meisje”. Zie nog jongske.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

meisje. Holl. meistgin reeds in de 15e eeuw. Over de verschillende vormen zie W.de Vries Tschr. 43, 109 vlgg.: ald. is waarschijnlijk gemaakt dat de deminutiefsuffixen -skijn en -sijn, waarop zich alle vormen laten herleiden, ospr. alleen na velaire consonant voorkwamen, zodat meisje naar jongske (mnl. meissen naar joncsijn?) zou zijn gevormd. Vgl. nog †-tje Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

meisje, meisken o., diminutieven van meisen = meidsen pejoratief van meid. Nu nog verliezen in ’t Vla. de w. op -en dit -en voor het dimin. suffix : keuken, kukje.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

meidske (zn.) meisje; Middelnederlands meisin <1236> < Rienlands Mädsch.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

meisen, zn.: dienstmeisje, meid. Ook Vlaams, met ook de bet. ‘meisje, lief’. Augmentatief. Mnl. meisen ‘meisje, dienstmeisje’, Vnnl. meyssen ‘garse’ (Lambrecht), meyssen, meydsen ‘puella, ancilla’ (Kiliaan). Uit meidsin, afl. van meid met Onl. -cin-, Mnl. -sin-suffix: 1236 negénen knape of meicin, nullus famulus vel ancilla, Gent (Naamkunde 1974, 148). Meid door d-syncope < magid, hetzelfde woord als maagd < Mnl. maget. Ohd. magad, D. Magd, Ofri. megith, Os. magath, Oe. mæg(e)þ, mægden, Got. magaþs. Germ. *magaþ- bij Germ. *maguz, Idg. moghus ‘knaap, jongeman’ > Os. magu ‘zoon’, Oe. magu ‘zoon, knaap’. Dim. meiske(n), meisje.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

meise(n) zn. o.: meisje, vriendinnetje. Ook Vlaams meisen ‘meisje, dienstmeisje’. Augmentatief. Mnl. meisen ‘meisje, dienstmeisje’, Vnnl. meyssen ‘garse’ (Lambrecht), meyssen, meydsen ‘puella, ancilla’ (Kiliaan). Uit meidsin, afl. van meid met Onl. -cin-, Mnl. -sin-suffix: 1236 negénen knape of meicin, nullus famulus vel ancilla, Gent (Naamkunde 1974, 148). Meid door d-syncope < magid, hetzelfde woord als maagd < Mnl. maget. Ohd. magad, D. Magd, Ofri. megith, Os. magath, Oe. mæg(e)þ, mægden, Got. magaþs. Germ. *magaþ- bij Germ. *maguz, Idg. moghus ‘knaap, jongeman’ > Os. magu ‘zoon’, Oe. magu ‘zoon, knaap’. Dim. meiske(n), meisje.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

meisen (B, L, W, ZO), meise (G, ZV), zn. o.: dienstmeisje, meid; meisje, lief. Ook Wvl. Augmentatief. Mnl. meisen ‘meisje, dienstmeisje', Vnnl. meyssen 'garse' (Lambrecht), meyssen, meydsen 'puella, ancilla' (Kiliaan). Uit meidsin, afl. van meid met Onl. -cin-, Mnl. -sin-suffix: 1236 negénen knape of meicin, nullus famulus vel ancilla, Gent (Naamkunde 1974, 148). Meid door d-syncope < magid, hetzelfde woord als maagd < Mnl. maget. Ohd. magad, D. Magd, Ofri. megith, Os. magath, Oe. mæg(e)þ, mægden, Got. magaþs. Germ. *magaþ- bij Germ. *maguz, Idg. moghus 'knaap, jongeman' > Os. magu 'zoon', Oe. magu 'zoon, knaap'. Dim. meiske(n), meisje.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

meisie s.nw.
1. Kind van die vroulike geslag. 2. Jong, ongetroude vroulike persoon. 3. Meisie (meisie 2) as lid van 'n liefdespaar.
Uit Ndl. meisje (1682 in bet. 1, 1581 - 1647 in bet. 2, 1757 - 1786 in bet. 3). Eerste optekening in vroeë Afr. in bet. 3 op 16 Junie 1837 by Trichardt, waarna in Afr. by Pannevis (1880). Hoewel Afr. meisie in bet. 3 aanvanklik uit Ndl. geërf is, is dit later in 'n redelike mate deur die leenwoord nooi verdring. Wsk. onder invloed van Eng. girl het meisie die woord nooi in dié bet. sedertdien weer verdring.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1838 in bet. 1) en vanuit Afr. in S.A.Eng. (1905 in bet. 2, 1972 in bet. 3).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

meisen, meise (DB: B), zn. o.: augmentatief (soms pej.) voor meisje, meid, dochter; dienstmeisje. Mnl. meisen ‘meisje, dienstmeisje’, Vroegnnl. meyssen ‘garse’ (Lambrecht), meyssen, meydsen ‘puella, ancilla’ (Kiliaan). Uit meidsin, afl. van meid met Onl. -cin-, Mnl. –sin-suffix: 1236 negenen knape of meicin, nullus famulus vel ancilla, Gent (Naamkunde 1974,148). Meid door d-syncope < magid, hetzelfde woord als maagd < Mnl. maget. Ohd. magad, D. Magd, Ofri. megith, Os. magath, Oe. mœg(e)þ, mœgden, Got. magaþs. Germ. *magaþ- bij Germ. *maguz, Idg. moghus ‘knaap, jongeman’ > Os. magu ‘zoon’, Oe. magu ‘zoon, knaap’. Wvl. dim. meistje, meiske.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

meisje, 1. gemeenzame aanspreektitel voor meisjes en vrouwen, ook oude. Granma* veegt haar vette handen aan haar schort af. Dan omhelst ze tante Esje. - Aai* baja, zegt ze, je bent duur* hoor! - Ach, meisje, m’n zware botten willen niet zo goed meer (Niemel 19). - 2. (het, -s), vrouwelijk schaamdeel. Evi*-lja mama! - Dan wat ben j’aan het doen? Zo laat dan? - Ik ben me meisje aan ’t wassen mama! (Cairo 1980c: 551). - 3. (de, -s), (veroud.) bepaalde fles voor cognac. - Etym.: (1) Vgl. de manier van Amerikaanse vrouwen om elkaar onderling ’girls’ te noemen. (2) Hier gebruikt als ’geheel voor deel’ (totum pro parte). (3) Berust op de vorm van de fles, die aan een vrouwenlichaam doet denken. - Syn. van 2 poentje*; zie voor andere syn. aldaar.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

meisje van plezier (vert. van Frans fille de joie)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Maagd (Os. magath), vrouwelijke afl. van een oud woord, in ’t Got. magus = knaap; verwant zijn: Meid, Meisje.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

meisje ‘vrouwelijk kind’ -> Duits Meisje ‘Hollands meisje’; Zweeds † majsa ‘jonge vrouw’; Zuid-Afrikaans-Engels meisie ‘vrouwelijk kind, jonge vrouw’ <via Afrikaans>; Negerhollands meeschi, meesche, mēnśi, minśi, menshi, meisje, meissje ‘vrouwelijk kind; prostituee’; Skepi-Nederlands meski ‘vrouwelijk kind’; Sranantongo mèisye ‘vrouwelijk kind’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

meisje. In Duitsland, en vooral in Noord-Duitsland, is het woord meisje bekend. Het woord is zelfs opgenomen in de vreemdewoordentolk van Duden, met als omschrijving 'holländisches Mädchen' - het woord wordt volgens de redactie van Duden dus alleen voor een Nederlands meisje gebruikt. Inderdaad hanteert men het soms om couleur locale aan een verhaal te geven, bijvoorbeeld in een verslag van een tripje naar Nederland ('Sie lernten zwei hübsche Meisjes kennen'). Op internet blijkt dat het gebruik echter momenteel ruimer is: in chatboxen wordt het regelmatig gebruikt als pseudoniem ('Hallo Meisje, deine Holzarbeiten sind wirklich wunderschön.'). Verder worden Duitse katten, honden, cavia's en merries (bien étonnés de se trouver ensemble) door hun eigenaars Meisje gedoopt. Bovendien wordt het meervoud Meisjes op sommige websites als een eufemisme gebruikt voor 'jonge hoertjes'.

Het Nederlandse woord meisje is al langer bekend in Duitsland. Het wordt al genoemd in het verhaal 'Das Licht in der Nacht' in het geïllustreerde kinderboek Märchen der Völker van Stefan Mart, dat in 1933 in Hamburg verscheen. Het verhaal begint als volgt:

Willem und Meisje Antje liebten sich. Willem war ein netter Junge: Blonde Locken in der Stirn, blaue Augen, Kalkpfeifchen, weite Hosen und Holzpantinen. Antje: Ein nettes Meisje mit spitzem Mündchen und weißer Haube.

Uit de keuze van de naam Antje blijkt dat het om een Noord-Duitse tekst gaat: Antje is een typisch Saksische naam, voorkomend in Noord-Duitsland en het oosten van Nederland. Niet voor niets is Frau Antje sinds 1954 in Duitsland ingezet als boegbeeld voor de Nederlandse kaasindustrie. Deze Frau Antje is in Duitsland zo populair dat de Nederlandse zuivelindustrie haar naam in 2006 heeft verheven tot merknaam voor Hollandse kaas; belegen kaas wordt momenteel als 'Pikantje van Antje' op de Duitse markt gebracht...

Meisje is ook in het Engels bekend, maar dan in de Afrikaanse vorm meisie - het Engels heeft het woord in Zuid-Afrika overgenomen. Zo kan men lezen 'Gave the meisies in the cafeteria a good laugh' en 'all the meisies were lined up waiting to go in'.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

meisje* vrouwelijk kind 1629 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1294. Een meisje van drie kruisjes,

d.i. een meisje van dertig jaar. Met de kruisjes worden de tientallen bedoeld, die door een kruisje (X) worden voorgesteld. Wellicht is de zegswijze ontleend aan de gewoonte om den ouderdom eener koe door middel van kruisjes op hare horens aan te geven. Vgl. Sart. III, 1, 23: limen senectae tenet, hy heeft die ses kruycen al op sijn hoornen; Bank. I, 61; II, 218; De Brune, 464: Hy heeft ses kruyssen op zijn horens; Huygens VI, 305; 308:

Ses cruyssen en een half, Thien Sessjes met een' Vijf!
Wel Heer van Pietershoeck, en hebt ghij noch geen Wijf?

Br. v. Abr. Bl. I, 187; Ndl. Wdb. VIII, 431; Harrebomée. I, 334 a: de horenkrappen verklappen de jaren der koeZie ook Tuinman I, 333: ‘Hy heeft wat op zyn hoorens. Ik denk dat dit speelt op runderen, die 't getal hunner jaaren in krappen op de horens hebben’; vgl. het fri. hy het al hwet takken (jaarringen) op 'e hoarnen (W. Dijkstra, 423 a); nd. se hett all vele Kreten up de Hören (Wander II, 1604).. Zie voor Zuid-Nederland Rutten, 125; De Bo, 583; Antw. Idiot. 723; Waasch Idiot. 376 b. In 't Afrik.: Hy het al 'n paar kruisies agter die rug.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

maghos, ‘jung’, maghu- ‘Knabe, Jüngling, unverheiratet’ und zugehörige Fem.-Bildungen, wie magho-ti- ‘junge Weiblichkeit’

Av. maɣava- ‘unverheiratet’;
alb. makth ‘junger Hase’;
kelt. *magus in gall. PN Magu-rīx, urir. (Ogam) Maguno-, air. maug, mug ‘Sklave’; corn. maw, bret. mao ‘Jüngling, Diener’, cymr. meu-dwy ‘Einsiedler’ (eig. ‘Diener Gottes’); Fem. corn. mowes ‘Mädchen’, bret. maouez ‘Frau’; kelt. -smo- Ableitung in air. mām, māam(m) ‘jugum, servitus’; Abstraktum kelt. *magot-aktā ‘Jungfernschaft, junge Weiblichkeit’ (weitergebildet aus*maghotis = got. magaþe, woraus kelt. *makkot-aktā durch Kontamination mit makko- ‘Kind’) in mir. ingen maccdacht ‘junges erwachsenes Mädchen’, air. ro-macdact gl. ‘superadulta’, mcymr. machteith, acorn. mahtheid ‘virgo’, mcorn. maghteth, maghtyth ds., bret. matez ‘Dienstmädchen’; Koseform *maggu̯os in gall. Mapo-no-s GN, acymr. map, ncymr. mab ‘Sohn’; doppelte Verschärfungin urir. maqqas, air. macc, nir. mac ‘Sohn’;
got. magus ‘Knabe’, aisl. mǫgr ‘Sohn, junger Mann’, as. magu ‘Knabe’, ags. mago ‘Sohn, Mann, Diener’; Fem. *ma(ɣ)wī in got. mawi ‘Mädchen’ (Gen. maujōs), aisl. mǣr (Akk. mey) ‘Mädchen’, Demin. got. mawilō, aisl. meyla, ags. mēowle ‘kleines Mädchen’; Abstraktum *maghotis ‘junge Weiblichkeit’, woraus konkret ‘Mädchen’, in got. magaþs ‘junge Frau’, ags. mægeþ (engl. maid), as. magath, ahd. magad, nhd. Magd, Demin. Mädchen;
lett. mač (aus maǵš) ‘klein’.

WP. II 228, Feist 3339.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal