Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

meid - (meisje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

meid zn. ‘meisje’ (BN) ‘vrouwelijke dienstbode’
Mnl. meit ‘jonge vrouw, meisje’ in doe ic een meit was ‘toen ik (nog) een meisje was’ [1488; MNW]; vnnl. meid ook specifieker ‘(ongehuwde) vrouwelijke dienstbode’, zoals in meyden ... aan te neemen [1571; WNT], naast de samenstelling dienstmeyden [1638; WNT zwangbaar].
Ontstaan door samentrekking van mnl. *megit, een niet-geattesteerde umlautvorm van magit, nevenvorm van maget ‘jonge vrouw’, zie → maagd.
Mhd. meit ‘meisje, maagd’ als gewestelijke nevenvorm van maget (nhd. Maid ‘jonge vrouw’ alleen in dichterlijke taal). In het Fries is het woord overgeleverd in meid(zj)e ‘vrijen’ en meidslach ‘aanzoek bij een meisje’.
De vorm meid ‘meisje’ is vooral Noord-Nederlands en was aanvankelijk synoniem met maagd. In de loop van de tijd kreeg het vaak een negatieve bijklank, behalve als aanspreekvorm. Tegenwoordig wordt meid als geuzennaam gebruikt voor ‘zelfbewuste vrouw’: vandaar ook de titel van een overheidsbrochure uit 1990: ‘Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

meid* [jong meisje] {meit, meid 1488} hetzelfde woord als maagd, middelnederlands maget, maecht noordoostelijk meget, meecht (vgl. oudfries megith), met ege > ei, vgl. dwegel > dweil (vgl. meisje).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

meid znw. v., mnl. meit (alleen in noordel. taal), Kiliaen meyd (Fris. Sicamb. Holl.), mhd. meit (nhd. maid) ‘jonge vrouw, meisje, maagd, meid’ en met verkleinsuffix ofri. meiden o. ‘meisje’ (= oe. mægden, ne. maiden, ohd. magatīn). — Het woord is samengetrokken uit maget, waarvoor zie: maagd. — Zie ook: meisje.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

meid znw., mnl. (zelden en noordelijk) meit (d) v., Kil. meyd “Fris., Sicamb. Holl.”. Een oorspr. noordndl. vorm, van denzelfden oorsprong als maagd. Vgl. voor de ei brein. Vgl. ook mhd. meit (nhd. maid) v. “jonge vrouw, meisje, maagd, meid”, ’t Demin. meisje o. is een noordndl. (holl.) vorm, die sedert ± 1600 voorkomt naast ’t reeds mnl. meiskijn, meskijn o., waarnaast weer — vooral noordndl. — meissen o. “meisje”. De vormen zijn niet klaar, zooals trouwens de ndl. deminutiefformatie in ’t algemeen nog allerlei onopgeloste quaesties oplevert; in ieder geval echter mogen wij er afll. van meid in zien met demin.-formantia, die met s beginnen: vgl. Kil. meydsen, meydsken, Maastr. mèidskə “meisje”. Zie nog jongske.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

meid. Vgl. nog het deminutief ofri. meiden o. ‘meisje’ = ags. mægden o. (eng. maiden), ohd. magatîn o.; zie bij maagd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

meid v., gelijk Hgd. en Eng. maid, met iotasering der g uit maagd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

meid, 1. (de, -en(s)), meisje of (jonge) vrouw (soms geringschattend bedoeld, zoals in het tweede cit.). Ik draaide* in die tijd met bijna de halve school, al die meidens waren gek op me... (Rappa 1981: 43). Dus wil je partij kiezen voor die onbeschaafde meidens van LTT (BN 120: 91; 1980). - 2. (de, -en), dienstmeisje. Hij vergat bijna dat er iets vervelends was, iets met die meid, die kokkin, en met bloed te maken had... (Doelwijt 1972b: 142). - 3. (de, -ens), (hist.) volwassen negerslavin. Zegt dat hij gehoord heeft dat de zoon van Cojo een Negerin met de houwer* in de bene heeft gekap, omdat zij niet wilde voortgaan, en dat hij die meijd ook agter heeft gelaaten, en dat sij de andere meijdens hebben geslaagen omdat zij niet meede wilde gaan (1776; zie De Beet 220). - Etym.: In volks Hollands komt ook als mv. voor ’meide(n)s’. Bet. 2 ook in BN, in AN veroud. Oudste vindpl. van bet. 3 1771 (zie De Beet 91). - Syn. van 2 bediende*, dienst* (2). Samenst. van 1 o.m. koeliemeid (zie koelie*), motjomeid*, van 3 veldmeid. Zie i.v.m. bet. 1 wentje*, i.v.m. bet. 3 neger* (3).
— : grote meid, aanduiding bij bingo voor het cijfer 8. - Etym.: De uitdr. heeft betr. op de vorm van het cijfer. S bigi misi = id. (grote, dikke vrouw).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Maagd (Os. magath), vrouwelijke afl. van een oud woord, in ’t Got. magus = knaap; verwant zijn: Meid, Meisje.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

meid ‘jong meisje; vrouwelijke bediende’ -> Zuid-Afrikaans-Engels maid ‘zwarte vrouw’ ; Petjoh meid ‘inlandse vrouw uit het volk (m.n. een marktkoopvrouw); vrouwelijke bediende; meisjesachtig jongetje’; Berbice-Nederlands meti ‘jong meisje’; Sranantongo mèit ‘lellebel, buitenvrouw’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid [reclameslogan] (1989). Om meisjes te wijzen op het belang van een goede beroepskeuze en economische onafhankelijkheid lanceren enkele ministeries in 1989 gezamenlijk de campagne ‘Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid’.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

meid* jong meisje 1488 [MNW]

meid* dienstmeisje 1571 [WNT]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

meid, informeel voor ‘meisje, vrouw’; o.a. gebruikt in progressieve of feministische kring. Sinds eind jaren zeventig. In het algemeen klinkt meid nogal pejoratief en is meisje het neutrale woord. Voor de feministen getuigt echter juist die laatste verkleinvorm van geringschatting.

Meid van 17 zoekt knullen om mee te schrijven, hou van funk, slapen en lachen. (Zoekertje in Swing, juni 1986)
Toffe anarchistische meid zoekt soortgelijke correspondenten die wat afweten van alles en nog wat. (Fabiola, november 1986)
De Mary Jane Girls zijn vier eigentijds-sexy meiden die, gekleed in lingerie en netkousen, in kleur variëren van melkblank tot uitgesproken zwart. (Opzij, maart 1987)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut