Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

meesmuilen - (spottend glimlachen)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2018

Het eerste glimlachje

Het verschil tussen lachen en glimlachen wordt in de ons omringende talen op verschillende manieren tot uitdrukking gebracht. In het Frans wordt door middel van de werkwoorden rire (‘lachen’) en sourire (‘glimlachen’) onderscheid gemaakt tussen de lach en de ‘sublach’. Deze werkwoorden gaan terug op het Latijn, dat met ridere en subridere dezelfde nuancering kent. In het Duits daarentegen wordt gewerkt met het verkleinwoord: van lachen is het werkwoord lächeln afgeleid, ‘klein lachen’. Het Engels doet het weer anders: deze taal kent twee verschillende werkwoorden, to laugh en to smile, die etymologisch gezien niets met elkaar te maken hebben.
Het Nederlands heeft in dit opzicht een opmerkelijke ontwikkeling doorgemaakt. Het Middelnederlands kende al het werkwoord lachen, dat afhankelijk van de context diverse nuances kon vertolken. Lachen kon bijvoorbeeld ook ‘vriendelijk glimlachen betekenen. Het woord glimlachen was in het Middelnederlands onbekend, wel bestonden er in de Middeleeuwen diverse andere werkwoorden die allerlei manieren van lachen aanduidden, bijvoorbeeld gabben (‘spottend lachen’), gilen (‘gekscheren’), grinen (‘grijnzen’), greneken (‘grinniken’), schateren en schuddebollen.

Onderlachen
Ook door toegevoegde bepalingen als lachen in de vuyst en heymelic lachen konden nadere nuances worden aangebracht. Maar toch was er behoefte aan een verdere verbale schakering. Dat blijkt uit de Middelnederlandse vertaling van Boethius’ Vertroosting van de wijsbegeerte, die in 1485 in Gent verscheen. In dit filosofische werk voert de ik-figuur, die in een levenscrisis verkeert, een lang en troostrijk gesprek met de wijsbegeerte, die allegorisch wordt voorgesteld als een vrouw. Op een gegeven moment spreekt de wijsbegeerte Boethius op een bepaalde manier toe, namelijk “paulisper arridens”, letterlijk vertaald: ‘een beetje toelachend’. In het Middelnederlands staat: “een lettelkin [= een beetje] onderlachende”. Zeer waarschijnlijk is onderlachen een leenvertaling van het Latijnse subridere. Deze experimentele nieuwvorming met de betekenis ‘glimlachen’ was geen succes beschoren, want het woord is verder nergens geboekstaafd.

Smuilen
In 1599 noemt Kiliaan in zijn Etymologicon, het allereerste woordenboek van het Nederlands, het werkwoord smuilen. Ter omschrijving van de betekenis vermeldt Kiliaan het Latijnse werkwoord subridere en het Engelse werkwoord to smile. Smuilen en to smile zijn in etymologisch opzicht met elkaar verwant, maar smuilen komt in het Nederlands buiten enkele woordenboeken nauwelijks voor en is in elk geval na de zeventiende eeuw in onbruik geraakt. Het vooral op internet veelgebruikte woord smiley is een latere, twintigste-eeuwse ontlening aan het Engels.
Het werkwoord meesmuilen (‘spottend lachen’) is trouwens niet verwant met smuilen, want het is een samenstelling van het werkwoord mezen (‘grijnzen’) en het zelfstandig naamwoord muil (‘bek’). Meesmuilen heeft niets te maken met smuilen, maar is op dezelfde manier gevormd als klapwieken, knipogen, stampvoeten en knarsetanden.

Grimlach
De eerste glimlach van het Nederlands, dat wil zeggen de tot dusver oudst bekende vindplaats van dat woord in onze taal, stamt uit 1691. In dat jaar omschreef William Sewel in A New Dictionary English and Dutch het Engelse woord smile als ‘een glimlachje’. Het woord glimlach is een klankvariant van het iets oudere grimlach, dat op zijn beurt een samenstelling is met het werkwoord grimmen in de betekenis ‘het gelaat vertrekken’. Oorspronkelijk was grimlach een neutraal woord, maar gaandeweg vernauwde de betekenis zich tot ‘een gezicht trekken, spottend grijnslachen’. Als vriendelijk alternatief zonder negatieve lading kwam glimlach op, dat werd opgevat als een samenstelling van glimmen (‘stralen’) en lachen. Als klankvariant was ook glimplach in omloop.
Aldus werd het Nederlands rond 1700 verrijkt met drie nieuwe woorden die subtiele schakeringen van lachen tot uitdrukking konden brengen: grimlach, glimlach en glimplach. De betekenissen ontwikkelden zich in de loop der tijd verder uiteen. In 1890 wordt in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) het volgende onderscheid gemaakt: “een glimlach is liefelijk, hij verspreidt een glans over het gelaat, maar ook ironie, spot enz. worden er door uitgedrukt; een glimplach is geveinsd, een grimlach kwaadaardig of verraderlijk.” De glimplach en de grimlach zijn inmiddels in onbruik geraakt, maar de glimlach straalt in onze taal na ruim twee eeuwen onverminderd voort.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2014), ‘Het eerste glimlachje’, in: Onze Taal 10, 284]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

meesmuilen ww. ‘spottend glimlachen’
Vnnl. mesemuilen ‘schamper glimlachen’ [1607; WNT], mees-muylen ‘spottend glimlachen’ [1610-20; WNT], meesmuylen ‘id.’ in met een meesmuylend' lachen [1611; WNT].
Gevormd uit een werkwoord *mezen ‘grijnzen’ en het zn.muil 1 ‘bek’ (WNT), volgens hetzelfde woordvormingsmodel als bij klapwieken, knipogen, stampvoeten e.d. In de oudste attestatie nog met tussenklinker zoals in knarsetanden. Het woord *mezen ‘grijnzen’ is niet als simplex geattesteerd, wel nog in de afleiding miezemezen ‘id.’ [1657; WNT]. In andere werkwoorden met muil uit dezelfde periode is het eerste lid ook niet altijd even duidelijk: vnnl. moddermulen ‘klef zoenen’ [1524; WNT modderen I], smoddermuylen ‘id.’ [midden 16e eeuw; WNT smoddermuilen], koker-muylen ‘spottend glimlachen’, schors-muylen ‘de tanden laten zien’, smack-muylen ‘met de lippen smakken, smakkend zoenen’ [alle 1599; Kil.], en met onduidelijke betekenis proppemuylen [1635; WNT koon I] en grimmuylen [1679; WNT slecht].
De alternatieve etymologie, samenstelling uit → mee en vnnl. smuylen ‘lachen’ (FvW, EDale) kent diverse bezwaren, waaronder de betekenisloosheid van mee (FvWS), de lage frequentie van vnnl. mee als nevenvorm van mede, en ten slotte de geringe bekendheid van vnnl. smuylen, dat eind 17e eeuw uit de woordenboeken verdwijnt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

meesmuilen* [spottend lachen] {1607} waarschijnlijk van smuilen [glimlachen], verwant met grieks meidaō [ik glimlach], oudkerkslavisch smijati sę [lachen], oudindisch smayate [hij glimlacht], engels to smile, middelhoogduits smielen, hoewel de oudere vorm mesemuilen ook kan wijzen op een verlengde vorm van muilen [pruttelen] van muil1.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

meesmuilen

Meesmuilen wil zeggen: spottend of schamper lachen, speciaal wanneer men niet gelooft wat men hoort of leest. Moet men dat woord nu afkappen: mee-smuilen of: mees-muilen? Voor het eerste pleit het woord smoel, voor het tweede het woord muil. Nu helpt ons hierbij onze kennis van oude taalvormen: vroeger bestond namelijk ook mesemuilen en dat leidt tot een werkwoord mezen in de betekenis: grijnzen. Van dit mezen is weer een afstammeling: miezemezen dat door een thans geheel vergeten dichter uit de negentiende eeuw wordt omschreven als: het gezicht trekt leelijke wrongen. Wij moeten dus het afkappingsteken plaatsen na de s, wat ook overeenstemt met de uitspraak. Wij zeggen immers meezmuilen met een z en zouden meesmuilen (met s) uitspreken, als het woord gevormd was als bijvoorbeeld: meesmokkelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

meesmuilen ww., sedert de 17de eeuw bekend, waarnaast oudnnl. mezemuilen. De bet. ‘spottend, schamper lachen’ (in het zuidnl. ‘ontevreden grijnslachen’) wijst op een samenstelling met muilen (zuidnl.) ‘pruttelen, pruilen’, mnl. mûlen ‘een zuur gezicht zetten; pruttelen’, mnd. westf. mülen, nhd. maulen ‘de mond vertrekken; pruilen’, nde. mule ‘de lippen vooruitsteken’, nnoorw. dial. nzw. mula ‘een verdrietig gezicht zetten’, een afl. van muil. — De vorm mezemuilen zal dan wel als ‘streckform’ zijn op te vatten.

Minder gelukkig is de splitsing in meesmuilen waarvan het 2de lid Kiliaen smuylen ‘glimlachen’ is, vgl. mhd. smielen en russ. u-chmyl’-átĭsa ‘glimlachen’ en verder mhd. smollen ‘uit wrevel zwijgen’ (nhd. schmollen), waarnaast met andere vocaal ne. smile, nde. smile, nnoorw. smila ‘glimlachen’ (IEW 967-968). Maar dan blijft het 1ste lid mee- toch onverklaarbaar.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

meesmuilen ww., sedert de 17. eeuw. Een samenst. van Kil. smuylen “glimlachen”, dat met mhd. smielen “id.” en hoogerop met russ. u-chmyl'át'-s'a “id.” (met slav. ch < s na vroeg-slav. û) verwant is. Wsch. hierbij ook smoel, muil II en verwanten. Oudnnl. mezemuilen kan zijn opgekomen,doordat men in meesmuilen een allitereerende samenst., waarvan ’t tweede lid van muil gevormd was, voelde. Dat ook meesmuilen zelf op deze wijze ontstaan zou zijn, is wegens Kil. smuylen minder wsch. Het eerste lid is mee II, ofschoon van de bet. niets meer is overgebleven. Kil. smollen, mhd. smollen (nog zwa. in deze bet.), noorw. dial. smolla, smulla “glimlachen” zijn eer jonge vormen bij smuylen enz. dan dat ze ll uit zl hebben en met mnd. smûserlachen, noorw. dial. smusla, smuska “meesmuilen” hoogerop verwant zijn. Al deze woorden benevens nhd. schmunzeln (reeds laat-mhd. md.) “id.” staan in een zeker niet nader vast te stellen verband onderling en met smuylen, smoel enz.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

meesmuilen. Bezwaren van de hier verdedigde etymologie zijn: 1. de (reeds oudnnl.) uitspraak met z; 2. de zinloosheid van mee als 1e deel. Mocht ze al juist zijn — de enige bekoring is de aansluiting met Kil. smuylen ‘glimlachen’ —, dan is in ieder geval voor het taalgevoel het verband met smuylen vroeg verloren gegaan en heeft de alliteratie de opgang van het woord bevorderd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

meesmuilen ono.w., het eerste lid komt verdubbeld voor in miezemeezen: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

meesmuil: (in Afr. boekw.); Ndl. meesmuilen (sedert 17e eeu, by ouer skrywers mesemuilen, uit “een thans onbek. ww. mezen ... alleen bewaard i. d. iteratieven vorm miezemezen”, teenoor Kil se smuylen, “subridere”, “onderlangs lag”, wat nog in Ndl. bestaan (WNT XIV 2222) en aansl. by smoel en muil, asook by Eng. smile (en by Mhd., Skand. e.a. vorme), voorafgegaan d. mee-; wsk. die sterkste argument teen mee- as eerste lid (nie d. Ndl. etim. wdb. genoem nie) is dat meesmuilen in Ndl. ’n onskeib. ww. is, maar dit laat mees- nog minder bevredigend verkl., hoewel verkl. v. SNdl. muilen, “pruttel” (Mnl. mūlen, “suur gesig trek”) aanvaarbaar is.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Meesmuilen, vroeger ook mesemuilen = glimlachen, meestal met bijbeteekenis van schamper, spotachtig, ondeugend, van een ww. mezen en het z.nw. muil (gezicht). Mezen moet in bet. ongeveer overeengekomen hebben met grijnzen, en is alleen nog over in een soort iteratieven vorm miezemezen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut