Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

meers - (grasland, beemd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

meers zn. (BN) ‘grasland, beemd’
Onl. in gelatiniseerde vorm mariscum ‘moeras, drassig land’ [727; Fuchs], meriska ‘weide aan het water’ in de plaatsnamen Forismarische ‘onbekende plaats in Holland’ [772-776, kopie 1170-75; Künzel] en Dalmersce ‘onbekende plaats in Holland of Utrecht’ [918-948, kopie eind 11e eeuw; Künzel]; mnl. mersc, mersch, mers ‘weiland, hooiland’ in totam terram preter .i. hofstat et .i. sticke mersch ‘alle grond met uitzondering van een hofstee en een stuk weiland’ [1224-27; VMNW], lant & mers ‘bouwland en weiland’ [1227-32; VMNW].
Os. mersk (mnd. mersch, marsch ‘wei-, hooiland’, waaruit door ontlening nhd. Marsch, nzw. marsk(land)); ofri. mersk (nfri. mersk); oe. mer(i)sc ‘moeras’ (ne. marsh); < pgm. *mar-iska- ‘moerasland’, zelfstandig gebruik van een bijvoeglijke afleiding van *mari- ‘meer’, zie → meer 1 ‘zoetwaterplas’.
De meers duidt laaggelegen, natte grond aan, die alleen geschikt was als hooiland en weiland. Een vooral Noord-Nederlandse nevenvorm van meers is mars. Zie ook → moeras.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

meers* [weide] {in de vroegere plaatsnaam Forismarische (ligging onbekend) <772-776>, me(e)rsch [land aan water, moerasland] 1230, marsch 1287} nederduits `ch, oudengels mersc (engels marsh), van dezelfde stam als meer1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mars 2 znw. v. ‘marsland’, mnl. mersch, meersch, marsch, maersch ‘land aan water gelegen; weiland; moerasland’; nnl. dial. marsch (Noord-Ned. benoorden de rivieren), meersch (Vlaanderen), nnd. marsch, mersch ‘laaggelegen akker- of weideland’ < frank. *mariska een afl. van gallo-romaans mara (zie daarvoor: maar 2). — Zie ook: moeras.

Voor de verbreiding der vormen zie A. R. Hol, Med. Ver. Naamkunde 31, 1955, 137-146 met kaart. Als oudste voorbeeld is te noemen forismarische in thesla (776), vgl. ook plaatsnamen als Maarsen en Meersen.

meers znw. m. (zuidnl.) ‘weide, beemd’, zie: mars 2.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

marsch 2 v. (moerland), bijvorm van meersch.

meersch v., Mnl. mersche, merse + Ndd. en Hgd. marsch, Ags. merse (Eng. marsh). De. marsk: een afleid. van meer 1, gelijk ouw (in landbouw) van a of aa = water; z. ook moeras.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

meers 'land aan water, moerasland, weiland'
Onl. marische, mersce, mnl. mersc, mersch, mers 'land aan water, moerasland, weiland', ofri. mersk, os. mersk, oe. merisc, mersc 'moeras', zelfstandig gebruik van *mariska-, een bijvoeglijke afleiding van *mari-, →'meer 'waterplas'. Duidt laaggelegen, natte grond aan, die alleen geschikt was als hooi- en weiland. Een vooral Noord-Nederlandse nevenvorm van meers is mars1. Oudste attestaties in plaatsnamen: 772-776 kopie 1170-1175 Forismarische (ligging onbekend, in Holland)2 en 918-948 kopie 11e eeuw Dalmersce (ligging onbekend, in Holland of Utrecht)3.
Lit. 1Moerman 1956 36, De Vries 1962b 111, 2Künzel e.a. 1989 139, 3Idem 106.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

meers* weide 0772-776 [Künzel]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut