Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

meerkol - (Vlaamse gaai)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

meerkol zn. ‘Vlaamse gaai’
Mnl. marcolf ‘vogel’ [ca. 1410; MNW]; vnnl. merkolf ‘Vlaamse gaai’ in ende springen also als Mercoluen, van deene tack op dander ‘en springen als Vlaamse gaaien van de ene tak op de andere’ [1574; WNT]; nnl. meerkol ‘meerkoet’ [1724; iWNT], meirkol ‘Vlaamse gaai’ [1857; iWNT].
De naam markolf voor de Vlaamse gaai bestaat nog gewestelijk in diverse nevenvormen (mer-, meer-, mor-, -korf, -kol e.d.) in Brabant en Limburg. De naam komt al voor als middeleeuws Latijn marcolfus [1479; Meertens 1949], waarbij de schrijver, de Duitse filosoof Albertus Magnus, al vermeldt dat de vogel is genoemd naar het personage Marcolf(us) uit de middeleeuwse Germaanse sage van Salomon ende Marculphus, waarin de laatstgenoemde erg luidruchtig is en goed het geluid van vogels kan nabootsen.
De vorm meerkol kreeg in de 20e eeuw een bovenregionale status, maar werd uiteindelijk door Vlaamse gaai vervangen, zie → gaai. Mogelijk is deze vorm meerkol beïnvloed door de sinds de 18e eeuw aangetroffen vorm meerkol voor ‘meerkoet’; in dat woord is het tweede lid wrsch. kol ‘bles’.
Lit.: J. Meertens (1949), ‘Vogelnamen: de gaai’, in: Taal en Tongval 1, 97-104; Eigenhuis 2004, 342-343, 345-346

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

meerkol2 [Vlaamse gaai] {merkolff 1477} dial. markol, middelnederlands marcolf [soort van kraai of ekster] {1410} ontstaan uit de persoonsnaam Markolf {1281} (wat eigenlijk ‘grenswolf’ betekent), die in de Middeleeuwen het type van de grappenmaker was. Omdat de vogel diergeluiden nabootst, kreeg hij de naam Markolf. Op de vormverandering kan meerkol1 invloed hebben uitgeoefend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

markolf znw. m., in het Oosten van ons land gebruikelijke naam voor de gaai; zie verder: meerkol. De naam is ontleend aan de figuur van Markolf in het volksboek van Salomon en Marcolphus en wel omdat de vogel de stemmen van andere vogels nabootst.

Voor de verbreiding van dit woord, dat in ons land tot in Utrecht en Oost-Noord-Brabant reikt, maar ook in het Rijnland zeer verbreid is, zie het kaartje Nr. 6 bij W. Foerste, Bijdr. en Med. Dial. Comm. 1955.

meerkol 2, znw. m. Vlaamse gaai’, dial. (geld. Overijssels) markol, markolf, marklauwe, mnl. marcolf ‘kraai- of ekstersoort’ De naam is eig. de PN Markolf in de Middeleeuwse literatuur het bekende type van de grappenmaker (zoals in de sage van Salomon ende Marculphus); daar de vogel diergeluiden weet na te bootsen, gaf men hem de naam van deze aartsspotter. Vooral door het dierenepos werd deze oorspr. nl. naam tot in het Rijnland verspreid. Nadat deze figuur uit het volksbewustzijn verdwenen was, werd de naam op allerlei wijze vervormd; voor de vorm meerkol kan invloed van meerkol 1 meegewerkt hebben.

Voor de dialectische vormen zie de kaart van P. J. Meertens, Taalatlas afl. 6, 6. en kaart Nr. 14 van K. Heeroma, Taalatlas van Oost-Nederland.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

meerkol znw., eerst nnl. Evenals dial. markol, marklauwe e.a. vormen (ook talrijke du. bijvormen) vervormd uit markolf m., dat hd. en dial. ndl. nog = “meerkol, vlaamsche gaai” voorkomt en ook reeds mnl. en mnd. dezen en andere vogels aanduidt. Oorspr. is het een germ. eigennaam, letterlijk beteekenend “mark-wolf, grens-wolf” (voor ’t eerste lid zie markgraaf). Ohd. komt de eigennaam Marcolf inderdaad voor. Misschien moeten we voor den vogelnaam uitgaan van Markolf in de sage van Salomon ende Marculphus, waar Marculphus als een spotter en praatjesmaker optreedt. Men neemt wel aan dat de vervorming van markolf tot meerkol plaats had onder invloed van meerkol “meerkoet”, dat onder verwijzing op fri. kol “anser albifrons” uit meer I en kol I wordt afgeleid en als “meervogel met witten snavel, met wit op ’t voorhoofd” verklaard. Vgl. gaai.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

meerkol m., met bijvorm markolf + Hgd. markolf, d.i. markwolf (grenswolf), voornaam, naam van een fabelachtig wezen, op den vogel overgebracht.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

merkolf, merko(e)f, merkef, marko(e)f, meerkolf, -korf, merkef, meelkolf, -korf, melkolver, martko(l)f, mertkolf, metkolf, mekol, merkop, zn.: Vlaamse gaai, Garrulus glandarius; meerkol. Var. van Br. markolf en andere varianten. Vnnl. maer-kolf.j.roetaerd (Kiliaan). De naam is ontleend aan de spotter, de grappen en praatjes makende figuur Markolf in de middeleeuwse literatuur, zoals in het verhaal van Salomon ende Marcolphus, de Dyalogus Salomonis et Marculphi (Eigenhuis; TT 1949, 99). Markolf is de Germaanse voornaam mark-wulf ‘merk, grenssteen - wolf’, waaruit de Franse familienaam Marcou.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

mellieklof, zn.: gaai. Verhaspeling van markolf door wisseling r/l en metathesis.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

maarkolf, maerkef, merkoef, meelkörf, malkörf, marklau, markloper, marklover, markrover gaai (Oost- en Midden-Nederland). = de naam van de spotter markolf, ss. van mark ‘grens’ en wolf. Zo’n Germaanse naam is dikwijls samengesteld uit een deel v.d. naam v.d. vader en een deel van de naam v.d. moeder.
Bernaerts 75, TT I 99, DB III 18, WNT IX 408, TON krt. 14, Vos/Van der Wijst 104.

maarkolle gaai (Achterhoek, Veluwe). Contaminatie van maarkolf ↑ en meerkol ‘meerkoet’.
TT I 100.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Merklouw Merkoef Merkof Merkol Merkolf Volksnamen in het oosten van ons land voor de Vlaamse Gaai. Zie verder sub Markolf. Misschien moet in de gevallen van Merkoef en Merkof voor wat de uitgang -oef en -of betreft, ook nog gedacht worden aan beïnvloeding van het gelijke woord voor ‘Uil’ (vgl. sub Katof). Zie ook Bermarkoof en Blauwmarkoof.

Markolf Marrekol Marrikol(f) Merkolf Merkol Meerkol(f) Meerkoot Merkoot Morkolf Volksnamen in het oosten van N voor de Vlaamse Gaai. De naam is ontleend aan de grappen en praatjes makende figuur van Markolf in de middeleeuwse literatuur, zoals in het verhaal van Salomon ende Marcolphus; Marcolphus is hierin de gelatiniseerde vorm van de (germaanse) naam Markolf. Bij Albertus Magnus is een bewijsplaats dat de vogel zo genoemd werd. Meertens 1949 (p.99) geeft als jaartal op: 1479, maar mogelijk valt de naam al in de oudste uitgave van De animalibus, en dat is dan 1262- 1280.
De Vlaamse Gaai, maar ook de Ekster en wellicht ook de Kauw, kregen deze mansnaam, omdat zij, als tam huisdier gehouden, konden ‘praten’ (vgl. Klapekster), en dit dan ook, net als Markolf, veelvuldig deden. De naam (met al zijn varianten) heeft een groot verspreidingsgebied, groter zelfs dan tot heden in de literatuur bekend was. Friese volksnamen als Marklover en Markloper in Zuidoost-Friesland, Motkolf (Groesbeek, Gld), Martkolf (in Mill en Beers NB), Martkurf (in Boekel NB) [2x Joe van Riet 990707], Merkoef, Merkof (Limburg). Philips Marnix van Sint-Aldegonde (1540-1598), Brusselaar van geboorte en vriend van Willem de Zwijger, gebruikt de naam mercolven in een regel “... springen als mercoluen van deene tack op dander ...” D Markolf was tot in het Rijnland verspreid [NEW 1992]. Dit gegeven werd tot op heden echter nooit in verband gebracht met F Margot la Pie (<*Marcol la Pie, met metanalyse van de l) (= Ekster), ws. de verfranste vorm van D Markolf, waarbij de vrouwennaam Margot a.h.w. te voorschijn kwam. Het verband tussen deze naam en E Magpie ‘Ekster’ werd al wel onderkend (zie sub E volksnaam Magot Pie in Lockwood 1993). Sp Marica en Margot ‘Ekster’ hebben grote vormovereenkomst met F Margot la Pie, zodat het aannemelijk lijkt dat ook deze namen verwant zijn. Overeenkomst tussen som- mige zuidN en Sp woorden gaat ws. nog terug op de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648).
Weijnen 1996 voert de namen op onder het lemma “Maarkolf”. Deze variant komt inderdaad voor, maar is zeldzaam, zelfs in het gebied dat Meertens 1949 op zijn kaartje voor “Maarkolle” intekent. Schaars 1989 geeft nl. duidelijk aan dat Markolle (met korte [a] dus) in de Achterhoek de hoofdvorm is met slechts Maarkolf en Maarkolle in twéé resp. één dorpjes. Ook moet men bedenkingen hebben bij de opmerking van Meertens (p.100), overgenomen door Weijnen (sub Maarkolle), dat Maarkolle (= Vlaamse Gaai) een contaminatievorm zou zijn van Markolf ‘Vlaamse Gaai’ en Meerkol ‘Meerkoet’: de naam Meerkol voor de Meerkoet komt nl. in de Achterhoek in het geheel niet voor [Schaars 1989 p.357]. Het woord is eerder door afslijting van de slot-f ontstaan. Ook het optreden van de [ee]-klank in het eerste deel kwam in de namen voor de Vlaamse Gaai ws. geheel onafhankelijk van de Meerkoetennaam tot stand, gezien ook het voorkomen van de liemerse vorm Meerkolf (in de Lijmers) en maastrichts Merretkörref ↑. Tenslotte moet de opmerking van Meertens 1949 (p.98), overgenomen door B&TS 1995 (p.237), dat Meerkol de meest algemene volksnaam voor de Vlaamse Gaai is, gelogenstraft worden door het onderzoek van Meertens zelf: uit zijn kaartje blijkt duidelijk dat de vormen met een -a(a) in de eerste lettergreep overheersen.
De oerbetekenis van de mansnaam Markolf (Marculphus) is niet relevant ter verklaring van het eerste deel mark van de vogelnaam: mark ‘grensland’ kan niet goed slaan op de biotoop van de vogel, want omdat dit vlees noch vis is (‘overgangsgebied tussen cultuurland en onontgonnen gebied’ [S&S 1998]), is het zeer onwaarschijnlijk dat de naamgever juist dit tot uiting heeft willen brengen in een naam voor een vogel die zoveel anders heeft wat veel markanter is (luidruchtige stem, eventueel mooie kleuren). Post 1991 probeert mark- te verklaren als ‘opvallend visueel kenmerk’, maar dit overtuigt niet, omdat het te abstract is: de naamgever zou eerder het betreffende opvallende visuele kenmerk zélf in de naam hebben opgenomen (bijv. *Blauwvleugel-gaai, inplaats van een abstractie als *Kenmerk-gaai).

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Meerkol (dial, markolf) voor mark-wolf = grenswolf, eig. de naam van een lawaaimakend wezen, voorkomende in de Duitsche mythologie.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal