Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

meerkoet - (zwemvogel (Fulica atra))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

koet zn. ‘zwemvogel (Fulica atra)’
Wrsch. al in mnl. xiii kunt (lees kuut) ende pluvier ‘13 meerkoeten en een pluvieren’ [1377-78; MNW]; vnnl. mercoet ‘meerkoet’ [1567; Nomenclator, 66a], koete ‘zeekoet’ in koete is een zeevogel [ca. 1636; Jacht-Bedryff], koot of kote ‘koet’ in meerkoten ... zijn een weijnigh grooter als een teelingh ‘meerkoeten zijn iets groter dan een taling’ [ca. 1636; Jacht-Bedryff], zeekoet [1691; WNT]; nnl. meerkoet [1772; WNT].
Vaak verklaard als een klanknabootsend woord, maar de roep van de meerkoet klinkt niet als ‘koet’. Vandaar is het waarschijnlijker dat het woord samenhangt met → keutel, en dat de grondbetekenis ‘gedrongen, ronde vogel’ was. Middelengels cōte ‘meerkoet’ [voor 1300; OED] is wrsch. ontleend aan mnl. *coet en kreeg later ook de betekenis ‘zeekoet (Uria aalge)’ [1382; OED], vanwege de vormgelijkenis met de meerkoet. In de Lage Landen is de zeekoet slechts een wintergast; de betekenis vnnl. koete ‘zeekoet’ is dan ook wrsch. door vissers of zeelieden terugontleend aan het Engels. Ter onderscheiding werden in het Nederlands de samenstellingen meerkoet (met → meer 1 ‘waterplas’) voor de inheemse koet en zeekoet (met → zee) voor de kustvogel gevormd.
Lit.: Eigenhuis 2004, 293-294, 345 en 605-606

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

meerkoet* [watervogel] {1772} samenstelling van meer1 + koet.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

meerkoet znw. m. ‘soort watervogel’, ook meerkol genoemd (zie aldaar), een samenstelling van meer 1 + koet.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Meerkoet Fulica atra Linnaeus 1758. Thans veelvuldig voorkomende Ralachtige in de Lage Landen. De Meerkoet heeft een afgeronde lichaamsvorm, is overwegend zwart (donkergrijs) en heeft een witte bles. Een (zoetwater)meer als biotoopaanduiding werd vroeger soms (in gronings Meerkol en fries Markol (fries mar ‘meer’)), maar niet vaak, in diernamen gebruikt: zo is in de visnaam Meerval (1765) (Silurus glanis L.) mogelijk van hyperbolisch overdrachtelijk gebruik sprake (meer ‘zee’; val ‘Walvis’).
Het tweede element, Koet ↑, wordt vaak uitgelegd als klanknabootsend, maar dit kan niet kloppen. Veeleer moet, net als voor het verwante woord -kol in fries Markol ↑, aan ‘afgerond voorwerp’, in dit geval ‘gedrongen vogel’ gedacht worden.
BENOEMINGSGESCHIEDENIS De vogel is, hoewel hij vroeger zeldzamer scheen te zijn geweest en/of meer teruggetrokken leefde, toch al wel lang een bij het volk bekende soort. In HG 1669 wordt melding gemaakt van een vogel “welchen die Holländer ein Meerkot nennen” (mogelijk noemt Gesner 1555 deze naam ook al). Bij Junius 1567 staat: Mercoet [VT] en Dodonaeus schreef (1565) “Meercaut” [Engel 1943].
Linnaeus benoemde de soort in 1758 in één keer correct; door Houttuyn 1763 werd hij aangeduid met Koet ↑. Vroeg 1764: “MEER KOET (Fulica atra). Valt byna door geheel Europa in de binnen wateren.” In 1770 (in NV) spelde Nozeman Meyr-koet.
Houttuyn 1763 vertaalde E Moorhen ‘Waterhoen’ met “Water-, Meir-, of Moeras-Hen” (p.273). Er is ook de E volksnaam Moor Coot voor het Waterhoen [Jackson 1968].
D Belche en Horbel ‘Meerkoet’ komen van ohd belihha ‘wit + “vogelsuffix” -ihha’ (vgl. sub Havik). Er is etymologisch verband met Lat Fulix, Fulica (It Folaga, F Foulque) en Gr phal(er)ós ‘wit’ [Coomans et al.; Muller-Renkema]. Vgl. ook sub Beloega, Bermarkoof en (m.b.t. Horbel) Haarsnip.

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

MEERKOETFulica atra
Duits Blässhuhn
Engels Coot
Frans Foulque macroule
Fries Markol
Betekenis wetenschappelijke naam: witvlek. Het woorddeel ‘meer’ heeft betrekking op de biotoop. De laatste veertig jaar wordt de Meerkoet echter steeds vaker ook op kleinere wateroppervlakten, zoals in slootjes, aangetroffen. Zijn geluid is als ‘koet’ nagebootst. Het is afgeleid van koeteren = onduidelijk praten. In oorsprong werd met koeteren alleen het geluid van een kalkoen bedoeld. Aanvankelijk was de naam van deze vogel Meerkol. Met ‘kol’ wordt de opvallend witte vlek, ook wel bles (d.i. bleek) genoemd, boven de snavel bedoeld. Van Meerkoet kunnen de volgende dialectvormen worden vermeld: Meerkoot (Kem), Meerkoutje (Gr), Mjêrkoot (ZVl), Mértekot (ZBW), Merrekote en Maerekote (Zl). Soms wordt er volstaan met Koet (NH), Koete (Ach, Sco), Koot (Kam) of Kote (KvO). Naamsvarianten van Meerkol (Gr) en Markol (Fr) zijn: Merkol (Fr), Markel, Macrolle (Zl), Marolle (ZVl), Mérol (ZBW), Mirkel (Ter) en Kol. Mogelijk is ook gedacht aan de kap en zwarte kleding van de maricolen, destijds een kloostergemeenschap in Brussel. Meerkol is overigens ook een naam voor de Vlaamse Gaai maar heeft dan een andere betekenis. Namen met de vermelde bles zijn: Bleshoen (Ov), Bleshounder (Gr), Bleske (Gr), Bleshen(neke) (Lij), Bles-aende (Ach), Witte Bleskop, Blisse (WZV), Swarte Blesein (Fr) en Swartblêsde Ein (Fr). De Franse naam betekent ‘Bles meerkol’. Plaatselijk is er de naam Kobie (Zl) dat hier ‘druktemaker’ kan betekenen, of wellicht het goedig bedoelde ‘Kobus’. Misschien een spottend ‘koppie’ omdat hij zo’n kleine kop heeft ten opzichte van z’n lichaam. De naam komt ook bij de kiekendieven, Buizerd en de Zeearend voor, maar verband hiermee is door ons niet gevonden. Algemener maar verwarring gevend is z’n naam Waterhuuntjen (Ach). De naam Prutter kreeg hij om z’n pruttelende geluidjes. Maar Poep (Fr) is een scheldnaam, een ander woord voor ‘achterwerk’ of een woord van die strekking. De naam werd destijds eerst gegeven aan mensen uit de grensstreek en Duitse marskramers en is waarschijnlijk ontstaan onder invloed van het Duitse Bube = boef, en misschien ook van de Duitse namen Pupke en Papke in de betekenis van ‘lomperd’ en ‘dikkerd’. Die afkomst blijkt ook uit de bijnaam Dúts(k)er (Fr). Net als de Waterral kent men hem ook als Kriekel-eendje (Lij). Mogelijk is er verband met kriel (= klein) of met z’n geluid. Voorts is deze vogel Kleermaker genoemd, waarvan ons twee uiteenlopende verklaringen ter ore zijn gekomen, n.l. deze: 1. het zou gaan om de lange tenen van de Meerkoet, die worden vergeleken met de doorgegroeide wijsvinger- en duimnagel van een kleermaker (die hiermee plooien kan vasthouden): 2. het is een scheldnaam voor een slechte jager, want die heeft slechts enige meerkoeten geschoten, een jachtbuit met weinig inhoud. De oude naam Haegelgans houdt misschien verband met de huid van de Meerkoet als hagelzakje. In Vlaanderen vergeleek men z’n kleur met die van een andere algemeen voorkomende vogel, de Kraai, zodat men hem daar Meerkraai, Waterkraai en Roetaard noemde. Nog een Vlaamse naam is Waterklok, naar het enigszins ‘klikkende’ of ‘bellende’ geluid in de paartijd.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

meerkoet* ralvogel 1776 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut