Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

meer - (vergrotende trap van veel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

meer 2 bw. ‘in hogere mate’; telw. ‘een grotere hoeveelheid’
Onl. mēr (bw.) ‘in hogere mate’ in so willon ich theste meer bitherue skiinan ‘dan wil ik des te flinker schijnen’, tho begunda min salfwerz meer ande meer ze stinchene ‘toen begon mijn zalfkruid meer en meer te geuren’ [beide ca. 1100; Will.], (telw. met genitief) ‘een grotere hoeveelheid’ in also is therro meer ‘zo ook is (het aantal) van degenen groter’ [ca. 1100; Will.], (bw.) ‘vaker’ in niemer mer ‘nooit meer’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. meer, naast klankwettig mee, bijv. in si het ene waruen ter mand. si het me of min ‘hetzij één keer per maand, hetzij vaker of minder vaak’ [1236; VMNW].
Daarnaast stond het bn. onl. mēr(r)o ‘groter’, zelfstandig gebruikt in merra (accusatief mv.) ‘meerderen’ [10e eeuw; W.Ps.], er sie merre werthent ‘voordat ze groter worden’ [ca. 1100; Will.]; mnl. me(e)re, meerre (voor de dubbele -rr- zie onder).
Os. mēr (mnd. mēr(e), , ); ohd. , mēr; ofri. mār, mēr, , ; oe. , ; on. meir; got. mais; < pgm. *maiz. Daarnaast staat het bn. pgm. *maiza- ‘groter’, waaruit: onl. mēro (mnl. mere); os. mēro; ohd. mēro (nhd. mehr); ofri. māra; oe. māra, mǣra; on. meiri; got. maiza. Dit bn. diende als comparatief bij het bn. *mekila- ‘groot’ (zie → mega-). Hierbij ontstonden door aanhechting van een nieuw comparatiefsuffix de vormen: onl. mērro (mnl. meerre); mnd. merere; ohd. mēriro (nhd. mehrere). Zie ook → meest.
Zeker verwante woorden met een vergelijkbare betekenis buiten het Germaans ontbreken. Voor pgm. *maiz- reconstrueert men pie. *meh2is of *moh1is. Traditioneel vergelijkt men dan meestal Oskisch mais, maar dat kan ook net als Latijn maius teruggaan op de wortel pie. *maǵ- (bij *meǵh2-), waarvoor zie → mega-. Wrsch. hoort pgm. *maiz- bij een wortel pie. *meh1- ‘groot’, met verwante woorden in o.a. het Keltisch en het Grieks, en waarvoor zie → mare.
De bijvoeglijke comparatief mnl. meerre ‘groter’, waaruit later met epenthetische -d- meerdere, is verouderd, behalve in de uitdrukking tot meerdere eer en glorie en in de zelfstandig gebruikte betekenis (iemands) meerderen ‘personen van hogere rang’ en in de afleiding meerderheid ‘grootste groep’. Het gebruik van meerdere in de betekenis ‘verscheidene, meer dan één’, zoals in Buitendien waren meerdere regimenten in openlijken opstand [1859; iWNT], ontstond in navolging van Duits mehrere ‘id.’ (WNT).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

meer2* [vergrotende trap van veel] {1220-1240} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries mēr, oudengels ma, gotisch mais; buiten het germ. welsh mrog [meer], oudiers [meer].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

meer 2 onbep. telw., bijw. mnl. meer (ouder mee, maar met r onder invloed van het bnw. mêre), os. mēr, mnd. mēr, , ohd. mēr, mhd. mēr, (nhd. mehr), ofri. mēr, mār en ouder , , oe. (ne. more), on. meir, got. mais. — Daarnaast staat het zwakke bnw.: mnl. mêre, os. ohd. mēro, ofri. oe. māra, on. meiri, got. maiza ‘groter’. Later werd aan deze comp, nog eens het suffix r gehecht, vandaar nnl. meerder, mnl. meerre, onfrank. mērra ‘maiores’, mnd. mērere; ohd. mēriro, mērōro ‘groter’. De superlatief is meest, mnl. meest, onfrank. meist, os. mēst, ohd. meist, ofri. māst, oe. mæst, north, māst (ne. most), on. mestr, got. maists ‘grootst, meest’. — oiers māu (< *məi̭̭ōs), opr. muisieson ‘meer’ (muis > *mā-is), misschien ook osk. mais (< *mə-is) adv. ‘meer’, maimas (< *mais[e]mo-) ‘maximae’, umbr. mestru v. ‘maior’ (< *maisterā), idg. wt. *mē-i̭es, mə-i̭es, van de stam *mē-, *mō- ‘groot’ (IEW 704), waarvoor zie: mare 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

meer II onbep. telw. en bijw., mnl. meer, met r naar analogie van het bnw. mêre opgekomen naast ouder mee. = ohd. mêr (nhd. mehr; mhd. ook ), os. mêr (mnd. ook ), ofri. mêr, mâr naast ouder , , ags. (: eng. more), (on. meirr met secundaire rr), got. mais “meer”. Hierbij het zwakke bnw. mnl. mêre, ohd. os. mêro, ofri. ags. mâra, on. meiri, got. maiza “grooter”. Mnl. meerre (nnl. meerder) “id.”, onfr. mêrra “maiores”, ohd. mêriro, mêrôro, mnd. mêrere “grooter” zijn ontstaan, doordat het comparatieve formans nog eens werd aangehecht. De superlatief is meest, mnl. meest, onfr. ohd. (nhd.) meist, os. mêst, ofri. mâst, ags. mæ̂st, north. mâst (eng. most), on. mestr, got. maists “grootst, meest”. Germ. *mais, *maiz is identisch met osk. mais bijw. “meer”, waarbij de superlatief maimo- “grootst” uit *maismo-; umbr. mestru “maior” < *maisterâ of event. *meisterâ met idg. êi: vgl. kymr. mwy “grooter, meer” < idg. *mêis. De idg. grondvorm van got. osk. mais is *mə-is. Hetzelfde mə- wellicht in gr. matís· mégas (Hes.), ier. maith “goed”. Voor ’t ablautende idg. mê-, mô- vgl. bij mare.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

meer II onbep. telw. en bijw. Anders over kymr. mwy Pedersen KGr. I §45, 1.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

meer 2 bijw. (in grooter hoeveelheid), Mnl. id. en mee, Os. mêr + Ohd. id. (Mhd. id., Nhd. mehr), Ags. , Ofri. , On. meirr, Go. mais; het adj. is Os. mêro, Ohd. id., Ags. mára (Eng. more), Ofri. már, On. meiri (Zw. mera, De. mer), Go. maiza + Oier. mao = grooter: met compar. suffix van denz. wortel als mare 1; niet verwant met Lat. major, magnus.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

mie (telw.) meer; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) mie, Vreugmiddelnederlands me <1236>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

meer II: onbep. telw., komp. v. bw. (soos baie, seer, veel); Ndl. meer (Mnl. mee/meer, met verdub. v. suf. Mnl. meerre wu. Nnl. meerder), Hd. mehr, Eng. more (Oeng. ma), as verst. by sup. reeds by Trig meer beterste (lRo T DLT 248), as sup. mees/meeste.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Meer, vergr. trap; ’t grondwoord vindt men in ’t Got. mais, en in ’t Lat. magis = groot; meer wil dus zeggen: grooter; vergr. trap is meest; zie Mare.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

meer ‘onbepaald telwoord’ -> Negerhollands meer, mē ‘onbepaald telwoord’; Berbice-Nederlands mere ‘onbepaald telwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

meer* bijwoord van kwantiteit 1100 [Willeram]

meer* onbepaald telwoord 1100 [Willeram]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut