Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

meer - (waterbekken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

meer 1 zn. ‘grote zoetwaterplas’
Onl. meri ‘waterbekken’ in de plaatsnaam Aelmere ‘binnenzee op de plaats van het huidige IJsselmeer’, letterlijk ‘aalmeer’ [755-768, kopie 9e eeuw; Künzel]; mnl. meere ‘meer’ [1240; Bern.], ‘zee’ in dat mere van surie ‘de Zee van Syrië’ [1287; VMNW]; vnnl. een groote ... heyr-vaert over 't meyr ‘een grote krijgstocht over de zee’ [1560; WNT].
Os. meri (mnd. mēr); ohd. meri (nhd. Meer); oe. mere (ne. mere); ofri. mere (nfri. mar); on. marr (nzw. dial. mar); got. in de samenstelling marisaiws; alle ‘meer, zee’, < pgm. *mari-.
Verwant met: Latijn mare ‘zee’; Oudiers muir, Welsh, Cornisch en Bretons mor; Litouws mãrios; Oudkerkslavisch morje (Russisch móre); < pie. *mor-i- ‘zee’ (IEW 748). Het woord lijkt ook in oude riviernamen als Morava, Marica, Marisos voor te komen, wat erop kan wijzen dat het een voor-Indo-Europees woord is. Dat zou ook verklaren waarom *mori- en *mari- naast elkaar voorkomen.
In de Oudgermaanse talen betekende het woord niet alleen ‘zee’ zoals in de andere Indo-Europese talen, maar ook ‘binnenzee, grote zoetwaterplas’. In het Nederlands en het Engels (in dichterlijke taal) heeft deze laatstgenoemde betekenis de oorspronkelijke vervangen; het normale Engelse woord is lake.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

meer1* [waterbekken] {in de plaatsnaam Aelmere, nu Almere, vroeger de naam van een deel van het IJsselmeer <755-768>, mere [meer, zee] 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits mĕri, oudengels mĕre, oudnoors marr, gotisch marei [zee]; buiten het germ. latijn mare, oudiers muir, gallisch Armorica [zeeland], litouws marės (mv.) oudkerkslavisch more [zee] (vgl. moeras).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

meer 1 znw. o., mnl. mēre o. v. ‘meer, zee’, os. meri, o. m. ‘zee’ (nhd. meer), oe. mere m. ‘meer, zee’ (ne. mere), on. marr m. ‘zee’, got. mari-saiws m. ‘meer’. — iers muir, gall. volksnaam Are-mori-ci, lat. mare ‘zee’, osl. morje ‘zee’, lit. marès ‘haff’. — In verband met riviernamen als tsj. Morava en zeker niet Slavische namen als Marica, Marisos meent A. Nehring, Festschr. F. R. Schröder 1959, 122-138, dat het woord vóóridg. is, wat ook verklaren zou, dat in het idg. een onzekerheid in de vorm *mori of *mari bestaat. Ook is van belang, dat het woord alleen in de westidg. talen voorkomt. — Zie verder: maar 2 en moeras.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

meer I znw. (het en de), mnl. mēre o. v. “meer, zee”. = ohd. meri (nhd. meer) o. m. “zee”, os. meri v., ags. mere m. (eng. mere) “meer, zee”, on. marr m. “zee”, got. mari- in marisaiws m. “meer”, waarnaast marei v. “zee”. Vgl. buiten ’t Germ. ier. muir “zee”, gall. Are-mori-cî, lat. mare “zee”, obg. morje “id.”, lit. mãrės “haff”. Hoogerop vergelijkt men nog gr. Amphímaros “zoon van Poseidon”, sommigen ook oi. maryā́dâ- “zeekust, grens”, benevens — niet wsch. — gr. amárā “gracht, sloot” en — niet aannemelijk — ofri. mâr m. “id.”. Voor een vṛddhi-vorm zie moeras. Vgl. ook brak II, brijn, broek. II. Ten onrechte is idg. *mari-, *mori- met de ospr. bet. “bitter, zout water” bij lat. amârus enz. (zie amper) gebracht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

meer 1. (lac), Mnl. mere, Os. meri + Ohd. id. (Mhd. mer, Nhd. meer), Ags. mere (Eng. id.), On. marr, Go. marei + Lat. mare, Oier. muir, Osl. morje, Lit. marės = zee: van Idg. wrt. mer = sterven (z. moord), dus = het doode, het woeste.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

meer I: betr. groot wateroppervlak kleiner as ’n see/oseaan; Ndl. meer (Mnl. mere, “see; meer”), Hd. meer, “see”, Eng. mere, (vroeër) “see”, (nou gew.) “meer”, hou verb. m. Lat. mare, “see”.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

meer 'waterplas'
Onl. meri, mnl. mere, ofri. mere, os. meri, oe. mere, ohd. meri, ono. marr, got. mari-saiws, alle 'meer, zee'. Oudste attestaties in namen: 755-768 kopie 9e eeuw Aelmere (water, →†Almere)1, 776 kopie 1170-1175 Sunnonmeri (water, → Zonnemaire)2, ws. 825-842 kopie 1150-1158 in uilla ... que uocatur Echmari (ligging onbekend, in Oostergo)3, 10e eeuw Pulmeri (water, → Purmerend)4, 918-948 kopie 11e eeuw in Uueromeri (water, → Overmeer) en in Uteromeri (water, →Uitermeer)5.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 63, 2Idem 327, 3Idem 122, 4Idem 293, 5Idem 285, 354.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

meer ‘(verouderd) grensscheiding’ -> Frans dialect mèrèle; merelle ‘grens; grenspaal, grenssteen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

meer* waterbekken 0755-768 [Künzel]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut