Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mazelen - (kinderziekte (morbilli))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mazelen zn. ‘kinderziekte (morbilli)’
Mnl. masel ‘zweer of vlek op de huid’, meestal in het meervoud: van den poucken ende van den maselen ‘over de pokken en de mazelen’ [1351; MNW-P], massele, dye men bernet ‘bloedvatgezwellen, die men wegbrandt’ [1477; MNW]; vnnl. veel masselen aen sijn been ‘veel zweren op zijn been’ [1544; MNW], de maselen ‘de mazelen als kinderziekte’ [1573; Thes.], mazelen ‘id.’ [1691; Sewel].
Os. masala ‘bloedgezwel’ (mnd. mas(s)ele, maselen ‘mazelen’); ohd. masala ‘id.’ (mhd. masal(e)); nfri. hûnemiezel ‘zweer aan de vinger’, mûzels ‘mazelen’ (o.i.v. mûs ‘muis’ of mnd. muse ‘wond, vlek’); < pgm. *masalō-. Me. maseles ‘mazelen’ [voor 1325; OED] (ne. measles) is wrsch. aan het mnl. of mnd. ontleend. Nhd. Masern ‘mazelen’ [1579; Kluge21], met -r- o.i.v. Maser ‘knoest’, en nzw. mässling zijn aan mnd. ontleend. Het Fries heeft het erfwoord bewaard in hûnemiezel ‘omloop, zweer aan vinger rondom nagelwortel’. Nfri. mûzels ‘mazelen’ lijkt in zijn stamklank te zijn beïnvloed door mûs ‘muis’ (of door mnd. mūse ‘wond, vlek’). Naast pgm. *masalō- ‘bloedgezwel’ staat pgm. *masara- ‘knoestige uitwas aan bomen’, waaruit: nnl. maser; os. masur (mnd. maser); ohd. masar (nhd. Maser); oe. maser; on. mösurr (nzw. masur).
Beide woorden gaan wrsch. terug op dezelfde wortel pgm. *mas- ‘wond, zwelling, uitwas’. Hierbij hoort met lange klinker wrsch. ook pgm. *mēs-, waaruit: vnnl. mase ‘vlek, smet’ [1599; Kil.] (door hem ook onetymologisch gespeld als masche, maesche o.i.v. het niet verwante → maas < mnl. maeske); ohd. māsa ‘vlek, litteken’ (mhd. māse); mnd. mase ‘id.’. Misschien hoort hierbij ook pgm. *mōs-, waaruit: mnd. mūse ‘wond, vlek’; mhd. mūse ‘id.’.
Verdere herkomst onbekend. Buiten het Germaans zijn er geen met zekerheid verwante woorden. De klinkervariatie pgm. *a/ē/ō is op Indo-Europees niveau moeilijk verklaarbaar. Misschien zijn deze woorden ontleend aan een voor-Indo-Europese substraattaal (Boutkan 1999, 18).
Al in de oudste vindplaatsen komt het woord in het meervoud voor, steeds met betrekking tot vlekken op de huid als gevolg van een ziekte. Niet altijd blijkt duidelijk over welke aandoening wordt gesproken. De betekenisvernauwing tot de specifieke kinderziekte ‘mazelen’ (Latijn morbilli) heeft zich oorspr. alleen in het Nederduits en het Nederlands voltrokken, waarna andere Germaanse talen deze benaming vervolgens weer ontleenden. Tegenwoordig kan het woord mazelen ook als enkelvoud functioneren, bijv. in mazelen is een kinderziekte.
Lit.: J.S.P. Stroop (1993) ‘Twee meervouden die het niet zijn’, in: B. van Bakel e.a. (red.) Zin dat het heeft: een liber amicorum voor Jan van Bakel, Nijmegen, 55-65

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mazelen* [kinderziekte] {massele 1477} oudhoogduits masala [bloedgezwel], middelnederduits masele [mazelen], van middelnederlands, middelnederduits mase [vlek], oudhoogduits masa [wond, litteken], samenhangend met een woord voor gevlamd hout, vgl. oudhoogduits masar (hoogduits Maser) [gevlamd hout], oudengels, middelnederlands maser [knoestige uitwas], oudnoors mǫsur [boomsoort], oudsaksisch masur [gezwel], en vgl. mazelhout.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

mazelen

Mazelen, de naam ener bekende kinderziekte, wordt zo genoemd omdat de huid van de zieke bedekt is met rode vlekken die mazelen heten. Eén mazel bestaat niet, maar wel kende men vroeger het woord: maas, in de betekenis: vlek, plek, inzonderheid op de huid. Of dit hetzelfde is als maas: opening in een netwerk, is onzeker. Het verkleinwoord masel kwam vroeger in het Duits voor in de betekenis: bloedzweer, blaar. Merkwaardig is dat er ook een werkwoord mazelen bestaat dat alleen wordt gebruikt in verbinding met het werkwoord: pokken in de zegswijze: hij heeft gepokt en gemazeld, voor: hij heeft de kinderziekten achter de rug, hij is niet jong meer, hij heeft al vele wederwaardigheden ondervonden, hij is door de wol geverfd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mazelen znw. mv. in dé 16de eeuw masels, maseren (terwijl mnl. máselsucht ws. een andere huiduitslag aanduidt). Vgl. mnl. māsel ‘vlek, smet’, mnd. māsele, massele ‘rode, jeukende huiduitslag’, ohd. masala ‘bloedgezwel’ en verder mnl. māse v. ‘vlek’, mnd. māse v. ‘vlek, litteken’, ohd. mäsa ‘wond, litteken’ te vergelijken met nnoorw. dial. masa ‘met vlamfiguren beschilderen’, nde. mase ‘hout, dat met andere houtsoorten ingelegd is’ (daarmee verder verwant ohd. masar ‘gevlamd hout; knoest aan de ahorn’, os. masur ‘knoest’, oe. maser ‘knoest in het hout’, on. mǫsurr ‘ahorn’, eig. ‘gevlamd hout’).

De etymologie is onzeker. 1. Kluge verbindt met de idg. wt. *(s) ‘wrijven’ en vergelijkt lat. macula ‘vlek’, gr. mõmos ‘schandvlek’. — 2. Lidén PBB 15, 1889, 519 gaat uit van de bet. ‘knoestig hout’ en vergelijkt gr. áor (< *ms-or) ‘zwaard’. — Het nhd. masern < nnd., het ne. measles eerder < ofra. mesel > lat. misellus, dan < nnl. mazelen, (maar W. de Hoog, Studiën over de Ned. en Eng. Taal en Letterkunde 1909, 211 acht met het oog op middeleeuws eng. maseles herkomst uit het nnl. wel waarschijnlijk; zo ook Bense 217; het woord is in het eng. sinds ± 1325 bekend). — Het woord mase is nog bewaard in de naam van de esdoorn Kiliaen maeshout, vgl. nnl. dial. maashout, maashornboom.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mazelen znw. mv., in de 16. eeuw masels, maseren “mazelen”; ’t wsch. al mnl. māselsucht v. is wsch. de naam van een andere uitslag-ziekte. ’t Mnl. Handwdb. vermeldt māsel “vlek, smet” = ohd. masala v. “bloedgezwel”, mnd. mas(e)le, massele “roode, jeukende huidvlek, uitslag, blaartje”, Teuth. massele “serpedo”. Met oudnnl. maseren (ook bij Kil.) vgl. nhd. masern “mazelen”. Eng. measles “mazelen” wordt uit ndl. mazelen afgeleid, ook wel via ofr. mesel uit lat. misellus, een afl. van miser. Wsch. uit het Ndd. komt ouder-de. masel “puistje, blaar”, waarvan de. meslinger “mazelen”. Verwant is ohd. mâsa v. “wond, litteeken”, mnd. mâse v. “vlek, litteeken”, ook Mnl. Handwdb. vermeld. Ook de bij ahorn genoemde woorden ohd. masar enz. zullen wel verwant zijn. Buiten het Germ. kan hierbij hooren gr. mṓlōps (*mōsl-) “striem, buil”. Wegens de z is het niet geraden, russ. mozól' “eelt” met idg. mō̆s-l- te combineeren. Als mnl. maesce “vlek” enz. (zie maas) met mazelen verwant mocht zijn, zouden wij ook voor ags. mæscre “macula” de bet. “vlek” kunnen aannemen, en verder desnoods ohd. dala-masca (zie masker) nog hierbij brengen. In geen geval echter wordt daardoor oerverwantschap met de woordfamilie van maas wsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

mazelen. Ouder-de. masel ‘puistje, blaar’, ouder-nieuwzw. masla ‘id.’, waarvan resp. de. mæslinger, zw. mässling ‘mazelen’, kunnen zeer wel vanouds scand. woorden zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mazelen v.meerv., + Hgd. masern, Eng. measles: dimin. van *maas: Ohd. masa, Mhd. mase = vlek. *Maas = vlek kan hetz. woord zijn als maas = malie: vergel. Lat. macula = 1. maas, 2. vlek, (z. malie 1).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

masels: mv., siektetoestand by mens en dier (bek. as morbilli of rubeola); Ndl. (mv.) mazelen (Mnl. mase/masels/maseren, “smet, vlek”, by Kil maseren, 16e eeu masels/maseren), Hd. masern, Eng. measles (Meng. maseles), lg. verkl. as òf ontln. aan Ndl./Ned. òf uit Ofr. mesel uit Lat. misellus, dim. v. miser, “ellendig, ongelukkig”, maar geen sekerheid i.s. herk. en wd. wat daaraan ten grondslag lê nie.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

mazelen. Besmettelijke kinderziekte, gekenmerkt door koorts, slijmvliesontsteking en rode vlekjes op de huid. Een enkele keer komt in onze enquêtes de vloek krijg de mazelen! voor. Natuurlijk wenst de verwenser zijn opponent niet letterlijk de pukkeltjesziekte toe. Wat hij eigenlijk bedoelt te zeggen is: “Ik ben zo ontstemd over je gedrag, hoepel nu maar op.” De emotionele betekenis wijst op ergernis, minachting, onverschilligheid enz.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Mazelen, meerv. van ’t verkleinw. van maas; dit maas staat in verband met het Ohd. massa = vlek, plek, inzonderheid: roode plek op de huid, dat als maas ook in onze taal voorkwam, bijv.: „Dese olie suyvert alle vlacken en masen van ’t aensicht”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mazelen ‘kinderziekte’ -> Engels measles ‘infectieziekte’; Saramakkaans máási, mási ‘kinderziekte’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mazelen* kinderziekte 1477 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut