Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

matroos - (zeeman van de laagste rang)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

matroos zn. ‘zeeman van de laagste rang’
Vnnl. maetroos ‘zeeman van lage rang’ [1584; Van der Meulen 1955a], maetroos in ons maet-roosen ... mairden daer vijf schepen of ‘onze matrozen meerden daar vijf schepen af’ [1588; WNT konvooi], matroos in bepect, beteert, als ons matroosen zijn ‘vol pek en teer, zoals onze matrozen’ [1610; WNT zeilen].
Ontleend, met vervanging van -l- door -r-, aan het Franse meervoud matelots ‘zeelieden van lage rang’ [ca. 1350; FEW]. De verdere herkomst van het Franse woord is onzeker, maar wrsch. is het ontwikkeld uit Middelfrans *matenot (FEW, nog dial. op Guernsey als matnot ‘makker’), dat zelf ontleend zou kunnen zijn aan mnl. mattennoet ‘matroos’ [1457-1500; MNW-R]. Dat woord zou dan een samenstelling zijn van → mat 1 en → genoot, met de betekenis ‘(slaap)matgenoot’, dus ‘hangmat-genoot, kooi-genoot’: voor twee zeelieden van lage rang die in verschillende wachten waren ingedeeld, was vroeger één kooi of hangmat beschikbaar. Dit Middelnederlandse woord is echter slechts eenmaal geattesteerd en zou juist ontleend kunnen zijn aan Middelfrans *matenot. Een andere mogelijkheid is dat het Franse woord ontleend is aan Oudnoords mötunautr ‘tafelmakker, disgenoot’, vooral gezegd van scheepsvolk, of aan een overeenkomstig woord in een West-Germaanse taal, bijv. een niet-geattesteerd mnl. *matgenoot of *matgenoet, een samenstelling van mnl. mat ‘spijs, maaltijd’ (verwant met Engels meat ‘spijs, vlees’) en → genoot.
De spelling matroos verdringt vanaf ca. 1610 de oudere vormen maetroos, maatroos.
Lit.: H. Logeman (1933), ‘The etymology of French matelot, Du. and German matro(o)s, enz.’, in: Leuvense Bijdragen 25, 53-94

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

matroos [gewoon schepeling] {1584} < frans matelots (mv.), oudfrans matenot < middelnederlands mattenoot [schepeling, matroos] {na 1457} van matte [slaapplaats] + (ge)noot [lett.: met wie men de slaapplaats deelt], vgl. voor de betekenis kameraadgenoot.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

matroos znw. m., reeds 1584 maetroos < fra. matelots (in plaats van het oudere bootsvolk), van een oudere vorm matenot ‘kameraad’ (nog aldus matnot op Guernsey) < on. mǫtunautr ‘eetkameraad, tafelgenoot’ (aldus S. Bugge Romania 3, 156 en Gamillscheg 598, maar weer betwijfeld door K. Nyrop ANO 1919, lvlgg. en WB 7, 1921, 81-101). Het 1ste lid is germ. mata ‘spijs’, waarvoor zie: mes.

Ofschoon mnl. (éénmaal) mattennoot voorkomt, is er geen reden met Stoet, Noord en Zuid 18, 416 het fra. matenot daaruit af te leiden. Zou het woord noch uit het on. noch uit het mnl. zijn gekomen, dan moet men een ander westgerm. woord aannemen, vgl. bijv.noz(e) m., oudernl. mâtghenôt (vgl. mhd. māzgenōz(e) m.) naast mâtegheselle (1360); zie verder nog H. Logeman, LBd 25, 1933, 53-94. — Het nl. woord werd in vele talen overgenomen, vgl. nhd. matrose (1719), oostfri. matrose, nde. nzw. matros, ook ne. matross (1639).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

matroos znw. In ’t laatst van de l6. eeuw ontleend uit het fr. mv. matelots. Uit het Ndl. weer nhd. matrose m., de. zw. matros “matroos”. Fr. matelot gaat op ofr. matenot terug. Mnl. (eenmaal) mattennoot m. “matroos” kan hieruit ontleend zijn; ook ’t omgekeerde wordt aangenomen: aan mattennoot wordt dan de oudere bet. “slaapkameraad”, letterlijk “mat- of kooi-genoot” toegekend. On. komt mǫtunautr m. “tafelmakker” (o.a. van scheepsvolk gebruikt) voor. Hierop of op een overeenkomstige wgerm. vorm berust misschien ofr. matenot. ’t Eerste lid hoort bij de onder moes besproken woordfamilie.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

matroos. De uiteenzettingen van Nyrop WuS. 7, 81 vlgg. (= Nyrop-Philipot, Linguistique et histoire des moeurs 167 vlgg.) maken on. mǫtunautr ‘tafelmakker’ als oorsprong van ofr. matenot zeer onwsch. N. veronderstelt (naar Herm. Möller), dat een mnl. *mātenoot ‘eetgenoot’ (voor het le lid vgl. maat II) de grondvorm is. Daar noch dit mnl. compositum, noch het le lid afzonderlijk is overgeleverd, is het veiliger aan te nemen dat ofr. matenot ontleend is aan een of andere overeenkomstige wgerm. vorm: vgl. b.v. mhd. maʒgenôʒ(e) m. Vgl. nog M. Valkhoff Mots français dʼor. néerl. 188 vlg., v.Haeringen Neophil. 17, 108, [Nyrop-Logeman Leuv. Bijdr. 25, 53 vlgg.].

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

matroos m., gelijk Hgd. matrose, Zw. en De. matros, uit Fr. matelots, mv. van matelot, ook matenot, van On. mǫtunautr = spijsgenoot (z. maat 2 en genoot): het scheepsvolk is in koppels van dischgezellen verdeeld; in een koppel is de eene de “matroos” van den andere, en beiden staan solidair voor één taak.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

matroos s.nw.
Enige lid van 'n skip se bemanning, veral iemand van 'n laer rang.
Uit Ndl. matroos (1584).
Ndl. matroos uit Fr. matelots (mv.) (i.p.v. ouere bootsvolk) uit ouer vorm matnot, matenot 'kameraad', met lg. óf uit Oudnoors motunautr 'eetkameraad, tafelgenoot' (1ste lid uit Germ. mata 'spys, kos'), óf uit Mnl. mattenoot, 'n samestelling van matte 'slaapplek' en (ge)noot (lett.) 'iemand met wie jy jou slaapplek deel'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

matroos: seeman; Ndl. (1584) maetroos (nie by Kil nie), uit Fr. mv. matelots, ekv. matelot (vgl. bamboes, appelkoos), ouer vorm matenot, op d. Kanaaleiland Guernsey nog matnot naas Mnl. (eenmalige) mattennoot; die vraag is of d. Ndl. aan die Fr. wd. ontln. is of andersom en of d. een of d. ander verb. hou m. On. motunautr, “eet-/tafelgenoot”, en of dit verb. hou m. Germ. mata, “kos”, en genoot, “kameraad” – blb. uit Ndl. in Hd. matrose en (veroud.) Eng. matross (1639); i.s. versk. verkl. v. dVri J NEW (431-2).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

matroos (Frans matelots, mv.)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Matroos, van ’t Fr. matelot (voor: matenot); dr. Stoett houdt dit voor ’t Nederduitsche mattenot = slaapgenoot (mat = de slaapplaats voor matrozen). Anderen denken aan mat, in de bet. van maat (z. d. w.) en dan zou eetgenoot de oorspr. beteekenis zijn, te meer daar de matrozen bij het eten in groepen, zoog. „bakken” zijn ingedeeld.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

matroos ‘gewoon schepeling’ -> Engels † matross ‘artillerist’; Duits Matrose ‘gewoon schepeling’; Oost-Jiddisch matroosn, matroozn ‘gewoon schepeling’ <via Russisch>; Deens matros ‘gewoon schepeling’; Noors matros ‘gewoon schepeling’; Zweeds matros ‘gewoon schepeling’; Fins matruusi ‘ervaren zeeman’ <via Zweeds>; Ests madrus ‘gewoon schepeling’ (uit Nederlands of Duits); Tsjechisch † matróz ‘gewoon schepeling’ <via Russisch>; Pools matros ‘gewoon schepeling’ (uit Nederlands of Duits); Kroatisch matroz ‘gewoon schepeling’; Servisch matroz ‘zeeman, gewoon schepeling’ <via Duits>; Sloveens matroz ‘gewoon schepeling’ <via Duits>; Russisch matrós ‘gewoon schepeling’; Bulgaars matros ‘gewoon schepeling’; Oekraïens matros ‘gewoon schepeling’ <via Russisch>; Wit-Russisch matrós ‘gewoon schepeling’ <via Russisch>; Azeri matros ‘gewoon schepeling’ <via Russisch>; Lets matrozis ‘gewoon schepeling’ (uit Nederlands of Duits); Litouws matrosas ‘gewoon schepeling’; Hongaars matróz ‘gewoon schepeling’ <via Duits>; Esperanto matroso ‘gewoon schepeling’ <via Russisch>; Indonesisch matros, menteros ‘gewoon schepeling’; Atjehnees mantrōih ‘gewoon schepeling’; Boeginees matarôso ‘gewoon schepeling’; Jakartaans-Maleis matros ‘gewoon schepeling’; Javaans mantrus, matrus ‘gewoon schepeling’; Keiëes manteros ‘gewoon schepeling’; Letinees martròòsa ‘gewoon schepeling’; Madoerees mattros, mattrus ‘gewoon schepeling’; Makassaars mantarôs, mantarôsó ‘gewoon schepeling’; Soendanees matros ‘gewoon schepeling’; Japans madorosu ‘gewoon schepeling; ook: domkop, domoor’; Koreaans madorosŭ, mattŭrosŭ ‘gewoon schepeling’ <via Japans>; Papiaments matros (ouder: matroos) ‘gewoon schepeling’; Sranantongo matrosi ‘gewoon schepeling’; Arowaks matoroso ‘gewoon schepeling’; Surinaams-Javaans matrus ‘gewoon schepeling’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

matroos gewoon schepeling 1584 [TNTL 73, 1955, 104-5] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal