Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mat - (dof)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mat 2 bn. ‘dof; moe’
Mnl. mat ‘uitgeput, krachteloos’ in cranc ende ... mat ‘ziek en krachteloos’ [1265-70; VMNW], wiltu meer doen du werdts mat ‘als je meer wilt doen, word je moe’ [1290; VMNW], ‘beu’ in vechtens sat ende mat ‘het vechten zat en beu’ [1450-1500; MNW] (zie ook → afmatten); nnl. mat ‘dof, zonder glans’ [1752; Marin NF].
Ontleend aan Oudfrans mat ‘dof, flets’ [ca. 1265; TLF], eerder al ‘uitgeteld, verslagen’ [ca. 1100; TLF] (Nieuwfrans mat ‘dof, bleek, grauw’). Verdere herkomst onzeker. Velen menen dat er een verband is met de schaakterm → mat 3 ‘in het schaakspel vastgezet’, een Arabisch leenwoord dat in een overdrachtelijke betekenis ‘verslagen’ naadloos bij het hier behandelde woord aansluit. In dat geval zijn beide woorden identiek en is Oudfrans mat ‘verslagen’ dus ontleend aan het Arabisch. Een andere mogelijkheid is dat Oudfrans mat ontwikkeld is uit Laatlatijn mattus ‘bedroefd’ [7e eeuw; OED3], dat wrsch. teruggaat op klassiek Latijn matus, mattus ‘huilerig van de drank, beschonken’, een dialectische variant van *maditus ‘doorweekt’ en dan afgeleid van madēre ‘doorweekt zijn, druipen, beschonken zijn’.
In de betekenis ‘dof’ is mat in de 18e eeuw opnieuw ontleend aan het Frans.
matteren ww. ‘mat maken’. Nnl. Matten of matteeren ... betekent om aan het bewerkte goud en zilver zijnen glans te beneemen [1778; WNT]. Wrsch. zelfstandig in het Nederlands afgeleid van mat ‘dof’, naar analogie van Frans matir ‘matslijpen, ontglanzen, dofmaken’ [1676; TLF], eerder al ‘verleppen’ [ca. 1220; TLF] en ‘afmatten, uitputten’ [ca. 1165; TLF], afleiding van mat ‘dof; uitgeteld’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mat6 [dof] {1778} < frans mat, hetzelfde woord als mat5 [moe].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mat 6 bnw. ‘dof, niet glimmend’ < fra. mat (sedert de 15de eeuw), gevormd van matir ‘verwelken’ dat zelf weer afgeleid is van mat Overwonnen, uitgeput’ = mat 4.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mat IV bnw. (dof), nog niet bij Kil. Uit fr. mat “dof”, dat wsch. denzelfden oorsprong heeft als het bij mat III vermelde fr. mat.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mat 5 bijv.(dof), uit Fr. mat = terne, wellicht hetz. w. als bij mat 4.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mat V: dof (v. kleur of nie-glimmend); Ndl. mat, soos Eng. mat(t)/matte, uit Fr. mat (sedert 15e eeu) uit ww. matir, “verwelk”.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mat dof 1778 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut