Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mat - (in het schaakspel vastgezet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mat 3 bn. ‘in het schaakspel vastgezet’
Mnl. mat ‘in het schaakspel vastgezet’ in ic sal hem seggen mat Ten inde van din schakespele ‘ik zal mat tegen hem zeggen aan het eind van het schaakspel’ [1265-70; VMNW mat IV], schak met enen matte ... seggen ‘zeggen dat het spel verloren is’ [1265-70; VMNW mat II], gi ... sint mat ... mettien scake ‘u bent schaakmat’ [1300-50; MNW-R].
Ontleend aan Frans mat ‘in het schaakspel vastgezet, schaakmat’ [ca. 1155; Rey], een met het schaakspel ontleende term uit Arabisch māt ‘dood’ in de uitdrukking (aš-)šah māt ‘(de) koning is dood’. Hierin is het eerste woord ontleend aan het Perzisch, zie verder → schaak.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mat4 [in het schaakspel vastgezet] {1325} verkorting van schaakmat.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mat 4 bnw. verkort van schaakmat, vgl. mnl. mat, mnd. mhd. mat (nhd. matt), ne. mate > fra. échec et mat < spa. jaque y mate < arab. šāh māt ‘de koning is dood’. — Zie nog: mat 5 en mat 6 en afmatten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mat III bnw. (“schaakmat” en “moe”), mnl. mat (tt) “schaakmat, machteloos, uitgeput, overwonnen, verzadigd”. Uit ofr. mat “schaakmat, machteloos”. Dit rom. woord (fr. mat, it. matto, mlat. mattus), waarop ook mnd. mhd. mat (nhd. matt), eng. mate “schaakmat” teruggaan, is ontstaan uit arab.-perz. šâh mât “de koning is dood”. In plaats van het volledigere schaakmat komt mnl. scaec ende mat voor: vgl. fr. échec et mat. — Afl.: mnl. matten “mat zetten, afmatten, onderwerpen”, in de eerste bet. nog gebruikelijk. Hiervan nnl. afmatten, nog niet bij Kil.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mat III: term by die skaakspel, verk. v. skaakmat; Ndl. mat (Mnl. mat), Hd. matt, Eng. mate uit Fr. échec et mat uit Sp. jaque y mate uit Arab. sjāh māt (sjāh, “koning”, māt, “(is) dood”).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Mat (moe) van ’t schaakspel, nl. ’t Perzisch: sjach mat = de koning is dood; hij is dan gevangen, kan zich niet meer bewegen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mat ‘in het schaakspel vastgezet’ -> Indonesisch mat ‘in het schaakspel vastgezet’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mat in het schaakspel vastgezet 1325 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut