Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mast - (paal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mast zn. ‘lange paal’
Mnl. mast [1240; Bern.], ook algemener ‘lange paal’ in banieren oppe die pawelionen ende maste ‘banieren op de grote tenten en aan de vlaggenmasten’ [1286; VMNW].
Mnd. mast; ohd. mast (nhd. Mast); nfri. mêst; oe. mæst (ne. mast); alle ‘mast’; < pgm. *masta-. Het Nederlandse woord is al vroeg ontleend als Oudfrans mast ‘mast’ [1080; Rey].
Verwant met: Latijn mālus ‘paal, mast’; Oudkerkslavisch mostŭ ‘brug’ (Russisch most; wrsch. uit ‘brug uit of op palen’); Oudiers maide ‘stok’; < pie. *masd- < *mh2s-d- (IEW 701). Dit uitsluitend West-Europese woord zou een leenwoord uit een niet-Indo-Europese taal kunnen zijn. Mogelijk is Latijn mās ‘man’ verwant, indien dat teruggaat op een oorspr. betekenis ‘penis’, zie → macho en → masturberen. In dat geval is het woord wrsch. wel Indo-Europees.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mast1* [paal] {mast(e) 1201-1250} oudhoogduits mast, oudengels mæst; buiten het germ. latijn malus [mast, paal], middeliers maide [stok].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mast 1 znw. m. (op schepen), mnl. mast ‘mast, paal, kruishout’, mnd. ohd. mast ‘mast, paal’, oe. mæst ‘mast’ (ne. mast). — lat. malus (< *mazdos) ‘mast’, miers maide (< *mazdios) ‘stok’, matan ‘knots’, os. mostĭ ‘brug van stammen’ (dat echter ook als germ. leenwoord beschouwd wordt) (IEW 701). — Nl. mast > russ. mašta, later mačta, waaruit de verkleinwoorden mačuška, mašenka (vgl. R. v. d. Meulen Ts. 28, 1909, 214).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mast I (van een schip) znw., mnl. mast m. “mast, paal, kruishout”. = ohd. (nhd.) mast m., mnd. mast v. “mast, paal”, ags. mœst m. “mast” (eng. mast). = lat. mâlus (*mazdo-s; met sab. l uit d); een stam *mazdjo- in nier. maide “stok”. Of de bet. “mast” dan wel “paal, staaf, stok” de oudere is, is niet uit te maken. Ten onrechte is mast met ksl. mostŭ “brug” gelijkgesteld en dan als idg. *mat-sto- bij lat. mateola enz. (zie made) gebracht. — De uitdr. voor den mast zitten is niet voldoende verklaard. Er is geen reden om aan een ander woord mast te denken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

mast I (van een schip). Obg. mostŭ ‘brug’ zal niet identisch, maar kan toch verwant zijn: vgl. WP. II, 235 vlg.
Uit het Germ. de rom. groep van fr. mât.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mast 1 m., Mnl. id. + Ohd. id. (Mhd. en Nhd. id.), Ags. mæst (Eng. mast). Daar de bet. pijnboom in het oudere Germ. niet voorkomt, zal die wel, evenals bij spar, uit die van paal ontstaan zijn. Zw. en De. mast uit Ndd. Voor den mast zitten, nl. met de zeilen, zoodat men niet voort kan.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

mast. De 16de en 17de eeuw kennen de bastaardvloek gans mast. Ik neem aan dat mast de betekenis ‘kruis’ heeft. De vloek c.q. uitroep betekent dan ‘bij het kruis van Jezus Christus’. Deze vloek heeft weer de vloeken ellemasten en o eldremasten geïnspireerd. De laatste bevatten in de eerste constituent een vervorming van heilig en betekenen ‘bij het heilig kruis van Jezus Christus’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mast ‘lange paal op een schip voor bevestiging van zeil en touwen’ -> Deens mast ‘lange paal op een schip voor bevestiging van zeil en touwen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds mast ‘lange paal op een schip voor bevestiging van zeil en touwen’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins masto ‘lange paal op een schip voor bevestiging van zeil en touwen’ ; Ests mast ‘lange paal op een schip voor bevestiging van zeil en touwen’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans mât ‘lange paal op een schip voor bevestiging van zeil en touwen; paal voor vlaggen en vaandels’ Frankisch; Baskisch masta ‘lange paal op een schip voor bevestiging van zeil en touwen’ ; Pools maszt ‘lange paal op een schip voor bevestiging van zeil en touwen’ (uit Nederlands of Duits); Russisch máčta ‘lange paal op een schip voor bevestiging van zeil en touwen’; Bulgaars mačta ‘lange paal op een schip voor bevestiging van zeil en touwen’ ; Wit-Russisch máčta ‘lange paal op een schip voor bevestiging van zeil en touwen’ ; Lets masts ‘lange paal op een schip voor bevestiging van zeil en touwen’ (uit Nederlands of Duits); Japans masuto ‘lange paal op een schip voor bevestiging van zeil en touwen’; Koreaans masŭt'ŭ ‘lange paal op een schip voor bevestiging van zeil en touwen’ ; Negerhollands mast ‘lange paal op een schip voor bevestiging van zeil en touwen’; Papiaments mast (ouder: master) ‘lange paal op een schip voor bevestiging van zeil en touwen’ (uit Nederlands of Portugees); Sranantongo masti (ouder: massi) ‘lange paal op een schip voor bevestiging van zeil en touwen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mast* paal 1080 [Rey]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1486. Er dienen geen twee groote masten op één schip,

d.w.z. er moeten in eene zaak niet twee personen naast elkander staan, die gelijke macht hebben; er moet maar één zijn, die de baas is; vgl. Winschooten, 153: Daar moeten geen twee groote masten op een Schip sijn: het welk in een oneigen sin genomen, beteekend: daar moet maar een den baas zijn. Zie verder Witsen, 491: Geen twee groote masten op een schip, geen twee konnen gelijck heerschen; regering in regeeringh is ondienstig; Cats I, 556; De Brune, Emblemata, bl. 11: Hier en sluytet niet, twee meesters op een winckel, twee groote masten tot een schip te hebben; Sewel, 479; Halma, 340; Tuinman I, 145; Harrebomée III, 291 en vgl. het fri.: op in skip moat mar ien greate mast (of mêst) wêze. Syn. was: daer dienen geen twee hanen op een werf (zie Sart. II, 98); hd. zwei Hähne taugen nicht auf einem Mist; in Zuid-Nederland: Geen twee keuningen op eenen korf.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut