Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

masker - (bedekking van het gelaat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

masker zn. ‘bedekking van het gelaat’
Mnl. mascher ‘bedekking van het gelaat, vermomming’ in in maschre ‘met het gelaat bedekt, vermomd’ [voor 1492; MNW]; vnnl. ook in de vorm masche, mascke ‘boze geest; mombakkes, masker’ [1599; Kil.]; nnl. masker ‘larve van een insect’ in het masker van deze vlinder [1810; WNT verderven], ‘laag schoonheidsmiddel op het gezicht’ in een vloeibaar masker [1937; WNT vloeibaar].
De vormen zonder slot-r zijn ontleend via Frans masque ‘gelaatsvermomming’ [1514; TLF], de vormen met slot-r zijn rechtstreeks ontleend aan Italiaans maschera ‘masker’ [1348-53; DELI], dat evenals onder meer Spaans máscara ‘zwartsel, roet; masker’ en Portugees mascara ‘vlek’ misschien een afleiding is van middeleeuws Latijn masca ‘masker’, eerder ook al ‘geestverschijning’, van onduidelijke herkomst, wellicht een verkorting van een ouder bn.*mascaro ‘zwart, besmeerd met roet’ (Rey, TLF); het element ‘zwartsel, roet’ zou dan te maken hebben met het feit dat potsenmakers en toneelspelers in het verleden geen maskers droegen, maar het gezicht met roet besmeerden. Wrsch. is deze groep woorden ontleend aan Arabisch masḵara ‘potsenmaker, potsenmakerij, voorwerp van spot’, dat behoort bij het werkwoord saḵira ‘lachen, schofferen, bespotten’, maar het is niet duidelijk waar en in welk stadium. FvW vermoedt dat er zowel in de Romaanse als in de Germaanse talen ook invloed is geweest van een Germaans woord *maskōn- ‘demonisch wezen, heks’, dat verwant zou kunnen zijn met → mazelen of met het tweede lid van → nachtmerrie.
mascara zn. ‘ogenzwart’. Nnl. ... mascara gebruikt, om mijn lichtblonde wimpers wat donkerder te krijgen [1932; Vaderland]. Ontleend, wrsch. via Engels mascara ‘ogenzwart’ [1922; OED], eerder al mascaro ‘id.’ [1890; OED], aan Spaans máscara ‘zwartsel, roet; masker’, eerder al máxcara ‘masker’ [1499; Corominas], zie hierboven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

masker [mombakkes] {mascere 1562-1592, masscher 1635, masker 1647, vgl. masche, mascke 1588} < frans masque [idem] < italiaans maschera [idem] < arabisch maskhara [voorwerp van spot, belachelijk, dwaas, maskerade], bij het ww. sakhira [hij lachte, spotte]; mogelijk heeft contaminatie plaats gehad met saḥara [hij betoverde], saḥḥār [tovenaar], saḥḥāra [heks] (vgl. mascotte).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

masker znw. o. sedert ouder-nnl. vgl. Kiliaen masche, mascke ‘larva, persona’ < fra. masque < ital. maschera, die de vorm nnl. masker kan hebben beïnvloed. Men leidt het ital. woord van arab. masḫara ‘bespotting, clown’ af.

Intussen vinden wij in het germ. reeds vroeg het woord *maska, vgl. ohd. tala-maska ‘larva’, langob. masca ‘striga, heks’, mlat. masca ‘heks’, dat men wel verbindt met langob. masca ‘net’, waarvoor zie: maas.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

masker znw. o., sedert ’t Oudnnl. Kil. geeft masche, mascke “larva, persona” op. Dit zal wel de oudere vorm zijn, die evenals nhd. maske v., eng. mask, de. maske, zw. mask “masker” uit fr. masque “id.” ontleend is. De ndl. vorm kan door it. maschera “id.” beïnvloed zijn, evenals zwa.-bei. maskere “masker”. Men leidt ’t rom. woord af uit arab. mashara “nar, grappenmaker”. Deze afl. zal wel juist zijn, maar zoowel op germ. als op rom. gebied is wsch. met dit ontleende woord een oorspr. germ. woord *maskô(n)- samengevallen, dat blijkens ohd. dala-masca “larva”, langob. masca “striga, heks”, mlat. masca, ofr. masque “id.”, nog piemonteesch masca “heks” oorspr. “demonisch wezen, heks” beteekend heeft. De oorsprong hiervan is onzeker. Is maas verwant? of mazelen? Vgl. nachtmerrie.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

masker. Minder waarschijnlijk brengt Karpf WuS. 5, 120 vlgg. al de geciteerde germ. en rom. (ook it. maschera) terug tot de germ. groep van maas. Van ‘net (om het gezicht te bedekken)’ zou het germ. woord de bet. ‘heks’ gekregen hebben (mlat. langob. masca): ‘wezen dat zich verhult, vermomt’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

masker o., uit It. maschera, Sp. mascara, van Ar. mashara = klucht, gek, afgel. van sahara = spotten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

maske (zn.) 1. masker 2. carnavalsvierder; Middelnederlands mascher <1492> < Frans masque.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

masker s.nw.
1. Gesigsbedekking met naastenby die vorm van die gesig, wat gedra word met die doel om te beskerm of te vermom. 2. Skyn. 3. Gelaatsafdruk van 'n dooie.
Uit Ndl. masker (1647 in bet. 1, 1653 in bet. 2, 1882 in bet. 3).
Ndl. masker uit mascher (1635) uit mascere (1562 - 1592) uit Fr. masque uit It. maschera uit Arabies maskhara 'voorwerp van bespotting, maskerade' wat verband hou met die ww. sakhira 'hy lag, spot' (Van Dale 1997). Volgens De Vries - De Tollenaere (1997) bestaan die woord *maska vroeg reeds in Germ.; vgl. Langobardies masca 'heks', Middellatyn masca 'heks', wat verband hou met Langobardies masca 'net'.
Vgl. mombakkies.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

masker (Frans masque)

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Masker, maskerade
Dat deze woorden van Arab. oorsprong zijn, is reeds door Golius vermoed, later door Castell, Sousa, Marcel en Pihan aangenomen, en eindelijk door Mahn uitvoerig aangetoond (Etymol. Untersuchungen auf dem Gebiete der roman. Spr., p. 60 vg.). De bewijsvoering van den laatsten zal ik met eenige toevoegsels herhalen.
Het Ital. maschera, Sp. en Port. mascara, Fr. masque, ons masker, mom, momaangezicht, en de persoon zelf, die het draagt, komt van het Arab. maschara (مسخرة). Het werkwoord sachira beduidt (ook in den 5den en 10den vorm) bespotten, uitlachen; sochra is een bespottelijk persoon, die uitgelachen wordt; sochara is spotter. Maschara staat bij Freytag alleen in den zin van bespotting; Mahn voegt er uit Richardson bij: a buffoon, a fool, a jester, a droll, a wag, a facetious man; a man in masquerade; a pleasantry, any thing ridiculous or mirthful, sport. Ik kan er bijvoegen, dat de beteekenis van grappenmaker, hansworst, vaststaat, want Bocthor, Berggren en Marcel geven maschara onder bouffon, de eerste ook onder baladin. Mahn zegt nu verder, dat het Arab. woord het eerst in Italië gebruikt is, het land waar de maskeraden (gedurende het carnaval) ontstaan zijn. In den eersten tijd beduidde het een grappenmaker, een hansworst met een momaangezicht, een polichinel, die bij het carnaval een hoofdrol speelde, die anderen deed lachen en zelf een voorwerp van spot was, derhalve datgene, wat het Arab. woord te kennen geeft; later werd het op het ‘t meest in ‘t oog loopende kenteeken van zulk een grappenmaker, het momaangezicht zelf, overgebracht. Ik moet er bijvoegen, dat, als dit waar is, het woord door de Siciliaansche Arabieren in Italië gekomen is, niet, zooals Mahn schijnt te kennen te geven, door de Turken, want de plaatsen, die bij Ducange staan, zijn uit een tijd toen er van de laatsten nog geen spraak was. Verder kan nog worden opgemerkt, dat uit het Ital. het woord in zijne door de Ital. gewijzigde beteekenis naar het Oosten terug is gekeerd. Op die wijze moet het a man in masquerade bij Richardson, en un masque, personne masquée, dat Mahn uit het Turksche Woordenboek van Bianchi aanhaalt, verklaard worden. De Arab. hebben zelfs van maschara een nieuw werkwoord gemaakt, een zoogenaamd verbum denominativum, namelijk tamaschara. Freytag heeft dit (IV, p. 178) uit een schrijver der 15e eeuw in den zin van bespot worden; bij Roland de Bussy (L’idiôme d’Alger, p. 389) vindt men het als: se moquer, railler; bij Bocthor als bouffonner en se masquer; hij geeft ook: masque, personne masquée, molamaschir (het participium van dit nieuwe werkwoord), en bij Berggren (p. 513) vindt men toumouschar, jeu de masque, mascarade. Men ziet dus, dat de Arab. het woord, ofschoon zij het vroeger niet in den zin van momaangezicht gebruikten, gemakkelijk hebben herkend en geen zwarigheid hebben gemaakt, het in dien zin over te nemen.
Ik heb de zaak zóó voorgesteld, alsof zij zeker was; maar gaarne erken ik, dat er groote bezwaren tegen bestaan; wie het artikel maschera bij Diez leest, zal ze dadelijk gevoelen, en Engelmann is door de argumenten van Mahn niet overtuigd geworden, daar bij mascara niet heeft opgenomen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

masker ‘mombakkes’ -> Indonesisch maskar, masker ‘voorwerp dat ter bescherming voor het gezicht wordt gedaan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

masker mombakkes 1562-1592 [MNW] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1485. Het masker (of de mom) afwerpen,

d.w.z. zich plotseling van zijne vermomming ontdoen; ophouden met veinzen, zijne ware gezindheid of zijne ware bedoelingen laten blijken (Ndl. Wdb. I, 1859; IX, 281); iemand het masker afrukken, aflichten, aftrekken (17de eeuw), zijne veinzerij ten toon stellen, aan de kaak stellen, hem ontmaskeren; lat. personam capiti detrahere alicujus (Otto, 274); ook iemand de grijns afrukken, aflichten (Sewel, 302); de huif (hoofddeksel, kap) aflichten; zie Ndl. Wdb. V, 727; Mnl. Wdb. III, 773 en De Cock1, 154. Vgl. fr. jeter, déposer le masque; ôter, arracher le masque à qqn; démasquer qqn; hd. einem die Maske, die Larve abreiszen, abziehen; eng. to unmask a.p.; to throw off the mask.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut