Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

martelaar - (die lijdt voor zijn geloof)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

martelaar [bloedgetuige] {martelare 1201-1250} < middeleeuws latijn martalus < latijn martyr [getuige, martelaar] < grieks martus [getuige].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

martelaar

Op het eerste gezicht is martelaar een eigenaardige vorming, immers: iemand die dient is een dienaar, iemand die wint is een winnaar; wie tovert is een tovenaar en wie moordt een moordenaar. Zo bezien zou martelaar dus moeten betekenen: iemand die martelt en niet: iemand die gemarteld wordt. Maar wij moeten bij dit woord uitgaan van het Middelnederlandse martele: marteldood en een martelaar is dus iemand die voor zijn geloof de marteldood sterft. Het woord martele uit ouder martere gaat terug op martyrium dat in het Kerklatijn betekende: getuigenis (voor de waarheid van het Christelijke geloof) en vandaar: offerdood, martelaarschap. Daarbij hoorde een woord marter dat evenwel niet is overgeleverd en waarvoor martelaar in de plaats is gekomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

martelaar znw., mnl. ma(e)rtelâre, mertelâre m., en martelen ww., mnl. ma(e)rtelen, mertelen, dial. nog met umlaut, komen van mnl. martele v. “marteldood” (alleen nog in de Limb. Serm.), = ohd. martela, mnd. martel(e) v. “id.” (waarvan mnd. martelen, mertelen “martelen”, martelêre m. “martelaar”). Deze vorm is gedissimileerd uit ohd. martira, martara v. “id.” (waarvan ohd. martirâri, nhd. märtyrer m. “martelaar” met graeciseerende spelling), mnd. marter, merter v. “id.”, dat op lat. martyrium (gr. martúrion) “id.” teruggaat. Kil. geeft ook een ndl. marter op, dat ook elders oudnnl. voorkomt. Martelaar is in de plaats gekomen voor het uit lat. martyr (gr. mártus), eig. = “getuige”, ontleende vóór-mnl. *martir, = ohd. martir, -yr (zeldzaam), os. martir, ofri. martir, ags. martir, -yr (eng. martyr) m. “bloedgetuige, martelaar”. Got. martyr m. “id.” komt direct uit het Gr.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

martelaar m., Mnl. martelare, afgel. van dial. en Mnl. martele = marteling + Mndd. martele, Ohd. martela, door dissimil. uit *martere + Ohd. martira (Mhd. martere, Nhd. marter), uit Lat. martyrium, Gr. martúrion = getuigenis, afgeleid van Gr. mártur = getuige, bloedgetuige. Daarnevens Vla. en Mnl. martélie, met dissim. uit Ofra. martyrie (thans martyre), uit Lat. martyrium.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

martelaar (Latijn martyr)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Martelaar, van ’t Lat. martyrium, Gr. marturion = getuigenis; de martelaren legden getuigenis van hun geloof af en bezegelden dit getuigenis met hun bloed; vandaar onze vertaling „bloedgetuige” nl. des geloofs. Het w.w. martelen verkreeg de bet. van pijnigen, folteren.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

martelaar ‘die lijdt voor zijn geloof’ -> Negerhollands martelaar ‘die lijdt voor zijn geloof’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

martelaar die lijdt voor zijn geloof 1240 [Bern.] <ME Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1483. Er zijn martelaars en apostelen (of propheten).

Men voegt deze woorden tot troost en bemoediging toe aan iemand, die een tobberd is. Evenals vroeger niet ieder geroepen was om het verheven zendingswerk der Apostelen te verrichten, kan ook thans niet ieder uitmunten in wetenschap en kunst, doch niettemin een nuttig lid der maatschappij wezen, evenals de martelaars, al waren ze lijders, toch het zaad der kerk zijn geweest. Zie Harreb. I, 16; Noord en Zuid V, 323. In Zuid-Nederland komt de zegsw. in eenigszins anderen zin voor; vgl. Loquela, 312: In elken stiel zijn er veel martelaars en weinig apostelen; g' hebt apostels en g' hebt martelaars; g' hebt smeds en g' hebt sjouwers; Antw. Idiot. 795: In elke(n) stiel zijn veel martelèèrs en weinig apostelen. De martelèèrs komen zoowel in den hemel als de apostelen, de knoeiers bereiken ook hun doel.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut