Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mars - (god van de oorlog)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Mars [god van de oorlog] {1548} < latijn Mars, samengetrokken uit Mavors, vermoedelijk een godennaam uit het oude Tyrrheense gebied.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

II. mars (de, -en), achterste, kont. Wat is gebeurd daarzo? Iemand is zijwaarts gevallen, op z’n mars! (Vianen 1979: 57). - Etym.: Ook S.
— : de mars breken (voor) (brak, heeft gebroken), 1. een pak slaag geven (aan). Eerstdaags breek ik je mars voor je! zei Johan met fonkelende ogen (Vianen 1972: 58). - 2. aan de schandpaal zetten. - 3. carrière benadelen of breken (van). - Etym.: S broko mars = lett. id.
— : vreet (eet) mijn mars, (grove uitdr.) lik m’n gat o.i.d. Blackman keek eerst verwonderd, smeet toen de bezem tegen een muur en zei luidop: Vreet mijn mars! (Cairo 1972: 145). - Etym.: S njan mi mars = lett. id.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut