Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mars - (militaire tocht, lopen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mars1 [militaire tocht, lopen] {1642} < frans marche (vgl. marcheren).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mars 3 znw. m. v., sedert de 17de eeuw < fra. marche, verbaal-substantief van marcher < gallo-rom. *marcare, afl. van lat. marcus ‘hamer’; dus eig. ‘hameren’, dan ook ‘het in de maat lopen van soldaten’.

mars 4 tussenw. sedert de 17de eeuw < fra. marche, imper. van marcher.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mars znw., mnl. merse, meerse, maerse v. m. “koopwaar”, ook reeds “korf, mastkorf”. Evenals mnd. merse v. “id.”, ohd. merze “mercibus” ontleend uit een rom. vorm van lat. merx, (mv. merces) “koopwaar” met reeds gepalataliseerde c (vgl. kruis). Evenals ags. mertze v. “merx” — reeds Corp. — is ’t du.-ndl. woord misschien al in de 7. eeuw ontleend.

marsch I (het marcheeren enz.). In de 17. eeuw ontleend uit fr. marche, verbaal-substantivum bij marcher “gaan, loopen”, dat uit lat. *marcâre (bij marcus “hamer”) wordt afgeleid. Marsch II tusschenw., sedert de 17. eeuw. Uit fr. marche, imperatief van marcher.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

marsch m. en tuss. (tocht, weg), uit Fr. marche = 1. gang, 2. ga, verbaalabstr. en imper. van marcher = van mark tot mark gaan, denom. van marche = mark 2 (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

marsj (zn.) mars; Nuinederlands mars <1642> < Frans marche.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. mars (uitroep, bevel), schiet op, maak dat je wegkomt. Zo, en dan ga je nou spelen met je neefjes. Mars! (Helman 1954a: 10). Sylvie, mars naar boven; het is allang kinderbedtijd geweest (Dobru 1967: 34). Mars weg, zei ze tegen het geraamte van een hond en sloot het traliehekje naar het erf* (Dobru 1967: 23). - Etym.: Ook AN, maar weinig alg. Vgl. S ’mars gwe’, D ’Marsch, fort’ = vooruit, ga weg!

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mars (Frans marche); (de lange --) (vert. van Mandarijn chang zheng)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Marsch, van ’t Fr. marche = gang, van marcher = gaan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mars ‘militaire verplaatsing; de daarbij behorende muziek’ -> Indonesisch mars ‘militaire verplaatsing; de daarbij behorende muziek’; Javaans mares ‘militaire verplaatsing; de daarbij behorende muziek’; Papiaments mars ‘militaire verplaatsing; de daarbij behorende muziek’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

grote sprong voorwaarts [uitdrukking] (1958). De Chinese communistische leider Mao Zedong (1893-1976) lanceert in mei 1958 de campagne de Grote sprong voorwaarts, waarvan de naam spreekwoordelijk is geworden. Het plan is om van China een supermacht te maken, door verregaande economische hervormingen. Alhoewel het in eerste instantie een succes lijkt, loopt de campagne uit op een grote mislukking. Een andere uitdrukking die van Mao Zedong afkomstig is, is de lange mars die hij in 1934 en 1935 ondernam toen hij vanuit zijn basisgebied in Oost-China naar het noordwesten trok (pas in 1949 ging China over tot het communisme).

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mars (militaire) verplaatsing 1642 [WNT] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1266. Den kraaienmarsch blazen,

d.w.z. vluchten, en bij overdracht: sterven (Zondagsblad van Het Volk, 1906, p. 219); vgl. naar den musschenhemel gaan (Harreb. II, 110 b; I, 303 a), flauw vallen; gaan mollen rooven, begraven worden (Plantijn; vgl. fr. s'en aller au pays des taupes); den aftocht blazen en in de 18de eeuw de mars blazen of slaanVgl. hd. einem den Marsch blasen, iemand bevelen weg te gaan.. In Groningen: de kraaimars goan (Molema, 224 a). Wil deze uitdr. misschien zeggen: den weg opgaan naar de kraaien (vgl. Vondel's Roskam, vs. 148 en Geusevesper, 7)? Ook de Grieken zeiden als verwensching ες κορακας! loop naar de raven, de raven mogen uw lijk verteren!

1482. Veel in zijne mars hebben,

d.w.z. veel verstand hebben; vgl. Amstelv. 6: Om je aan 't memoreeren van je mémoires te zetten daarvoor dien je toch wel iets in de mars te hebben; Nkr. IV, 17 Juli p. 4:

Zij breken mij mijne carrière,
En 'k heb nog zooveel in mijn mars!
Bij mij weet zelfs jonker van Swinderen
Van diplomatie geen snars.

Onder eene mars verstaat men eigenlijk een korf, waarin een koopman, een marskramer, zijne waar draagt. Vgl. ook de zegswijze niet veel (of niets) te koop hebben, voor: niet veel (of niets) te zeggen hebben, naast het ww. uitpakken, laten zien wat men weet (fr. vider son sac). Syn. zijn iets onder zijne klip hebben (Rutten, 115); heel wat in zijn mandje hebben (Harreb. II, 64 b); in de benne hebben (Twente); in zijn kabaskabas, mnl. cabas; westvl. kaba(a)s, karbaas; fr. cabas, mand, korf. hebben. Hiernaast geen cent in de mars hebben, d.i. niets op zak hebben; Winschooten, 232: sij hebben qualijk een duit in de mars; eveneens in de 17de eeuw wat in den mars hebben, geldmiddelen hebben (Ndl. Wdb. IX, 263); vgl. verder Esopet, De gefopte bedrieger, 3; Dievenp. 81: Zoo juffrouw, vraag ik, biefstuk in huis en uw man geen verdienste in z'n mars?; De Arbeid, 14 Febr. 1914, p. 1 k. 1: Een handjevol syndicalisten met geen cent in de mars; Slop, 273: Al heb ik geen cent in de mars; Het Volk, 17 Jan. 1914, p. 5 k. 3: Ze had nooit geen cent in de mars. Wander III, 1819 citeert er hat etwas im Sack, vermag etwas zu leisten; fr. il a plus d'un tour dans son sac (eig. van een goochelaar); eng. to have something in one's wallet (Prick, 1283). Syn. Iets, veel in zijn ransel hebben.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut