Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

margriet - (Chrysanthemum leucanthemum)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

margriet zn. ‘bloem (Chrysanthemum leucanthemum)’
Vnnl. margrieten ‘madelieven, margrieten’ [1581; De Lobel]; nnl. margariet ‘madeliefje’ [1872; Van Dale], margriet ‘grote witte bloem met geel hart (chrysanthemum leucanthemum)’ [1932; Koenen].
Ontleend aan Frans marguerite ‘margriet’ [1543; TLF], eerder ‘madeliefje’ [1364; TLF], een verkorting van flors de marguerites ‘madeliefje’, letterlijk ‘parelbloem’ [13e eeuw; Rey], bij het zn. margarite ‘parel’ [eind 12e eeuw; Rey], ontleend aan Latijn margarīta ‘parel’, dat zelf weer via Grieks margarī́tēs ‘id.’ is ontleend aan Middelperzisch marvārīt ‘parel’. Zie ook → margarine.
Lit.: M. de Lobel (1581), Kruydtboeck, Antwerpen, 561

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

margriet [plant] {1581} < frans marguerite [idem] < latijn margarita [parel] < grieks margaritès [idem] (vgl. margariet).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

magriet s.nw. Ook magrietjie, margriet en margrietjie.
Enigeen van verskeie soorte wilde of gekweekte blomstruike.
Uit Ndl. margriet (1581).
Ndl. margriet uit Fr. marguerite 'magriet' uit Latyn margarita 'pêrel' uit Grieks margaritès 'pêrel'.
Eng. marguerite (1866).

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Margriet, Leucanthemum vulgare
Leucanthemum: wil zeggen witte bloem en is afkomstig van het Griekse leukos = wit, en anthemon = bloem.
Vulgare: de plant is algemeen of was vroeger algemeen.
Margriet: de naam Margriet komt van het Latijnse Margarita dat parel betekent. Vroeger werd zij ook wel paarlemoentje genoemd.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Chrysánthemum | Chrysánthemum leucánthemum: Margriet
De Latijnse geslachtsnaam Chrysanthemum beduidt goudbloem en is afgeleid van de Griekse woorden chrysos: goud en anthemon: bloem. Daar bij verscheidene soorten van dit geslacht de gehele bloem goudgeel is, gold deze naam voor het gehele geslacht. Dioscorides beschreef eveneens een soort van dit geslacht en hij bedoelde daarmede waarschijnlijk de Gekroonde ganzebloem (C. coronárium). Die soort is bij ons niet inheems, maar komt uit Zuid-Europa; gekweekt komt zij wel in onze tuinen voor, vaak met gevulde bloemen. Het is niet uitgesloten dat hij op het oog had de ook bij ons in het wild voorkomende Gele ganzebloem (C. ségetum). Merkwaardig is dat voor Zuid-Limburg de naam Goldsblome, en voor oostelijk Brabant Goudbloem genoteerd staat. Dit is hoogstwaarschijnlijk een vergissing, want voor de gele ganzebloem staat in dezelfde streken de naam Goud(s)bloem genoteerd. De soortnaam leucanthemum wil zeggen witte bloem, en is afkomstig van het Griekse leukos: wit, en anthemon: bloem. Dit witte slaat alleen op de grote, witte lint- of straalbloemen, want het hartje is geel.
Dat een dergelijke opvallende en grote plant verscheidene volksnamen bezit is niet verwonderlijk. De naam Margriet komt van het Latijnse Margarita dat parel beduidt. Een naam die voor zich zelf spreekt voor degene die de plant tussen het gras ziet pralen. Voor Voorne en Beierland vinden we de naam Paarlemoentjes genoteerd, en dat staat waarschijnlijk met parel in verband. Toen in 1907 het Woordenboek der Nederlandsche volksnamen van planten verscheen, was deze naam nog in omloop.
Dat de gelijkenis, wat bouw van de bloem aangaat, met het Madeliefje is opgevallen komt tot uiting in namen als Grote madelief en Grote Meizoentjes. Zo spreekt men ook van Dubbele Madelief in Zuid-Holland en in de Betuwe van Dubbele Meizoen. Bij Dodonaeus komt men de naam Groote Madelieven reeds tegen, en bij Fuchs heet de plant eveneens zo, maar hij geeft haar de wetenschappelijke naam van Bellis major (Bellis: madeliefje, en major: groot). Vanwege het groeien langs dijken spreekt men op Voorne en Beierland van Dubbele dijkbloem.
De naam Witte ganzebloem kreeg de margriet omdat zij in het grasland bloeide, wanneer de jonge ganzen de wei werden ingestuurd. Zo sprak men, vanwege het in de weiden groeien, op Zuid-Beveland van Weiblommetje en Grote Koeienweitjes. De naam Kersouwen, opgetekend zonder nadere aanduiding, is hoogstwaarschijnlijk afkomstig van Belgisch Vlaanderen en min of meer verbasterd. In dat gebied heet de plant Groot Kasseiken, Kassouwtje, Kassouwe, Kersoude en ook Kersouwe. Zie over deze namen verder bij Bellis perennis: Madeliefje.
Omdat de hoofdbloei omstreeks 24 juni (Sint Jan) viel, ontstonden, zoals bij meerdere planten het geval is, namen als Sint Jansbloem, Jansbloem, en Johannesbloem. Dat deze namen reeds vroeg in omloop waren, kunnen we opmaken uit de naam Sint Johannesbloem, die we in 1485 reeds geboekstaafd vinden. Hiermede staat in verband de voor de Veluwezoom genoteerde naam van Kransbloem. Het slaat op het gebruik om van de plant kransen te vlechten. Wanneer
de kransen klaar waren werden deze op 24 juni op de daken geworpen om huis en stal tegen bliksem en brand te beschermen. De naam van Grote kamille, op Voorne en Beierland wijst op de gelijkenis met de veel kleinere kamille; in hetzelfde gebied ging men zelfs gemakshalve spreken van Kamille zonder meer. Deze laatste naam treffen we ook aan in Zeeuws-Vlaanderen en in de omgeving van Ruurlo, waar zij ook Kamil werd genoemd. De naam Roomse kamille, die opgegeven wordt voor Zuid-Holland, Achterhoek, Noord-Overijsel en Zuid-Beveland, zal er wel op berusten dat men wel zag dat het geen echte kamillesoort was, en dat de bevolking dit ‘vreemde’ omzette als van elders afkomstig. Het is met meerdere plantenamen het geval geweest, dat er bijvoorbeeld de naam van een ver land aan toe werd gevoegd, zoals Spaanse en in dit geval Roomse. Het heeft dus niets met Rome of de Roomse kerk te maken.
De grote witte bloem met een geel hartje in het midden gaf reeds vroeg aanleiding dit geheel met een oog van een dier te vergelijken en zo ontstonden namen als Kalfsogen, Kalveroog, Kalverogen, Koeie(n)oog en Osseoog. Dergelijke namen komen in andere landen eveneens voor en hebben dus een grote verspreiding gehad.
Frankrijk Oeil de boeuf
Engeland Great oxeye
Duitsland Ochsenauge
Italië Occhio di bove
De naam moet wel van zeer oude oorsprong zijn, want in het Middelhoogduits treft men reeds aan Kuhtill, hetgeen hetzelfde Koeieoog beduidt. Op Zuid-Beveland sprak men van Paaroge en dit is hoogstwaarschijnlijk een overgenomen naam uit Belgisch-Vlaanderen, waar de plant Paardenogen of Peerdsogen genoemd wordt. De naam Paarde(n)bloem zal hiermede wel in verband staan. Deze naam komt men ook tegen in dezelfde contreien en wel op Zuid-Beveland, Zeeuws-Vlaanderen en westelijk Brabant, en in Belgisch-Vlaanderen als Peerdsblomme. De volksmond veranderde de naam zonder meer in Paardebloem, zonder wellicht nog aan het ‘oog’ te denken. In het Sallandse komt de volksnaam Pannekoekenbloem voor. Men zag hier in de witte straalbloemen de pan, in het gele hartje de pannekoek!
De namen Wambuisknopen (Achterhoek) en Wammesknopen (Veluwezoom) slaan op de overeenkomst die de bevolking zag tussen het gele hartje en de grote knopen van een wambuis, eertijds de bovenkleding van een man. De plant stond als orakelbloem in groot aanzien. Het stelselmatig uittrekken van de witte lintbloempjes was namelijk bepalend voor het toekomstig lot van degene die ze uittrok, onder het uitspreken van hemel, vagevuur en hel. De laatste lintbloem bepaalde de verdere levensloop. Als liefdesorakel - hij bemint mij, hij bemint mij niet - werd het overal gebruikt. Slaat men Goethe’s Faust op, dan weet men dat ook Gretchen in de tuinscène de witte lintbloempjes uittrok en bij de laatste zeer gelukkig uitriep: ‘Er liebt mich.’ Een dergelijk spelletje, echter niet met de lintbloemen maar met de gele buisbloempjes, waarvan één bloem er vijfhonderd kan bevatten, was het volgende. Men plukte het gele hartje uit elkaar en wierp dan de buisbloempjes in de lucht en zo veel men met de handpalm kon opvangen, zo veel kinderen zou men krijgen of aantallen van tien jaar zou men leven.
In de volksgeneeskunde heeft de Margriet nauwelijks een rol gespeeld. De plant werd als thee getrokken om gebruikt te worden bij keelontstekingen. Een essence van de plant werd aangewend bij neusbloedingen en verwondingen.
Tot slot een oud verhaaltje: een margriet geplukt op Goede Vrijdag moest men in een doosje doen, want deze zou dan na jaar en dag, in een zwarte worm veranderen. Wie nu later het doosje zou openen, moest dit zeer voorzichtig doen, want wanneer de worm de mens het eerste zou zien, dan was deze gedoemd hetzelfde jaar nog te sterven. Maar was de mens de gelukkige om de worm het eerst te zien, dan veranderde deze in een kabouter. Het is ons nog niet mogen gelukken, de achtergrond te weten te komen. De meeste sagen, legenden en dergelijke verhaaltjes hebben meestal een of andere achtergrond.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

margriet plant 1581 [De Lobel] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut