Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

marge - (vrije ruimte aan de rand van een bladzijde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

marge zn. ‘vrije ruimte aan de rand van een bladzijde’
Mnl. in maergen ‘aan de rand van het blad’ [1391-92; MNW], in de margie ‘id.’ [ca. 1470; MNW]; vnnl. op de marge ‘id.’ [1536; WNT verdunken]; nnl. marge ‘financiële ruimte’ [1884; Groene Amsterdammer], een groote marge ... tusschen de “haute couture” en de confectie [1947; WNT].
Ontleend aan Frans marge ‘marge’ [13e eeuw; Rey], uit algemener ‘kant, zoom’ [ca. 1225; Rey], ontwikkeld uit Latijn margō (genitief marginis) ‘rand, marge’, dat verwant is met → mark ‘grensgebied’.
marginaal bn. ‘in de marge, tegen de bestaansgrens, onbeduidend’. Vnnl. competeert den marginaele ‘komt de in de marge vermelde toe’ [1582; WNT wouwer I]; nnl. marginale bedrijven ‘bedrijven die weinig of geen winst maken’ [1916; Volk], het marginale of het on-wezenlijke, het on-belangrijke [1956; WNT Aanv.]. Ontleend aan Frans marginal ‘in de marge geplaatst’ [voor 1598; Rey], een geleerde afleiding van Latijn margō ‘rand, marge’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

marge [rand van pagina] {ma(e)rge [rand, kant van een pagina] 1391-1392} < frans marge < latijn margo (2e nv. marginis) [rand].

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

marge ‘rand van pagina’ -> Fries marzje ‘rand van pagina’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

marge rand van pagina 1391-1392 [MNW] <Frans

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

marge: rommelen in de —, niet de kern van de zaak behandelen; het probleem niet bij de wortels aanpakken; er maar omheen draaien. Vaak gezegd m.b.t. discussies waarbij rond de pot gedraaid wordt, waarbij de essentie niet wordt benaderd.

En wij als politie dweilen met de kraan open om die criminaliteit te bestrijden. De echte oplossing voor het probleem ligt zowel bij een goede opvoeding en voorlichting als bij een harde aanpak in de producerende landen, als bij een harde aanpak van de grote landen, als bij een steviger aanpak in ons land zelf. Ook hier moet de politie ‘rommelen in de marge’ zonder dat het probleem bij de wortel wordt aangepakt. (Frans Kwantes en Fred Hollinga: Géén paniek. Het hart in het blauwe pak, 1983)
We tobden wat af, we rommelden heftig in de marge van het vleselijke... (Marjan Berk: Op grote voet, 1995)

Winkler Prins Boek van het jaar (1958-1980), Amsterdam / Brussel (lemma ‘Nieuwe woorden in onze taal’)

Marge (1976) 1. Speelruimte die dc (Nederlandse) progressieve regeringspartijen hebben voor het realiseren van sociale en politieke hervormingen. Links rommelt, ook hij de benoeming van burgemeesters, in de smalle marges. 2. Rand, periferie. In de marge van het VVD-gebeuren zijn allerhande uitingen van bezorgdheid te bespeuren.
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut