Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

maretak - (wintergroene boomplant, mistel, vogellijm (Viscum album))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

maretak zn. ‘wintergroene boomplant, mistel, vogellijm (Viscum album)’
Vnnl. marentacken (mv.) [1554; Dodonaeus], maer-tacken, marren-tacken ‘maretakken’ [1599; Kil.]; nnl. maretakken (mv.) [1875; WNT druïde].
Samenstelling van → tak en een onzeker eerste lid, dat meestal verbonden wordt met mnl. mare ‘nachtelijke kwelgeest’ [1240; Bern.], zie → nachtmerrie. In het Zweeds komt mara ‘heks’ voor in samenstellingen met een boomnaam, bijv. marbjörk ‘mareberk’ en martall ‘mareden’; het eerste lid mar- betekent hierin: ‘verdraaid, door parasieten misvormd’. Een markvist (Zweeds kvist ‘tak’), markvast (kvast ‘bezem’), of häxkvast (häxa ‘heks’), is een meestal door zwammen (Taphrina) veroorzaakte wildgroei van takken bij bepaalde boomsoorten. In het volksgeloof bereed de mara niet alleen de slapenden, hun daarbij angstige dromen bezorgend, maar verwarde ze ook de manen van paarden tot kluwens, evenals de takken en twijgen van bomen. De maretak is een halfparasiet die in bomen groeit en eruitziet als een groot kluwen dat op en over een tak hangt.
De nevenvorm marren-tacken komt alleen voor in het woordenboek van Kiliaan en is wrsch. gebruikt in een poging dit woord etymologisch te verbinden met het werkwoord marren ‘talmen, dralen, belemmeren’.
Lit.: H. Bächtold-Stäubli & E. Hoffmann-Kreyer (red., 2000), Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens, Berlin, VI, 386

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

maretak* [altijd groene struik] {1554} van mare [boze geest] (vgl. mare2); een opgehangen bosje maretakken hield de boze geesten weg.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

marentakken znw. m. mv. vgl. Kiliaen maertacken, marrentacken. De verklaring van dit woord is zeer onzeker; misschien bevat het het woord maar 1 en dan ‘takken die de boze geesten afweren?’ — Zie ook: mistel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

marentakken znw. mv. Kil. maer, marrentacken. Men heeft in het eerste lid wel maar, mare “booze geest” (zie nachtmerrie) willen zien: zeer onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

marentakken m.meerv. (mistel), bij Kil. maren-tacken + Hgd. mahrenholz: met mare 2 daar het zich als de mare op den boom neerzet, en, aan de balken gehangen, de mare van den veestal verwijderd houdt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

maretak: ’n parasitiese plant (Viscum album) in Ndl. bek. as vogellijm (omdat lym v. d. bessies gekook word) en in Afr. as voëlent (omdat voëls dit met hulle mis op bome oorent); Ndl. (gew. mv.) marentakken (by Kil maer-/marrentacken), Hd. mahrenholz; by eerste lid is gedink aan maar/mare, “bose gees” (wsk. nog bewaar in tweede lid v. nagmerrie), terwyl die ss. vgl. is m. Eng. mistletoe (Oeng. mistiltan, blb. uit mist = Ndl. mest = Afr. mis (vandaar voëlent) en tan, Got. tains, “tak”), maar herk. bly onseker; v. maar II/mare, mis I, voëlent.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

maretak* altijd groene struik 1554 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut