Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mantel - (kledingstuk; oude vogelnaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mantel zn. ‘lange overjas’
Mnl. mantel ‘lang overkleed’ in de sustre moten hebben witte mantele ‘de zusters moeten witte mantels dragen’ [1236; VMNW], mantel, mantelken ‘mantel(tje)’ [1240; Bern.], papen mantel ‘priesterkleed’ [1285; VMNW], overdrachtelijk ‘houtbekleding’ in Die stoute liepen buten muren, ende ghinghen breken ende scuren, die mantele die dingiene decten ‘De dapperen liepen de stadspoorten uit en begonnen de betimmering van de belegeringswerktuigen af te breken en te vernielen’ [1285; CG II]; vnnl. schouwmantel ‘schoorsteenmantel, ombouw van de schoorsteen’ [1573; Thes.].
Ontleend aan Latijn mantellum ‘dekmantel’ (al klassiek, maar pas frequent vanaf de 9e eeuw), dat wrsch. van Continentaal-Keltische herkomst is. Middeleeuws Latijn mantus, mantum ‘mantel’ (Spaans manto, Italiaans manto) en manta ‘id.’ (Spaans manta) zijn wrsch. van mantellum afgeleid door interpretatie van -ellum als verkleiningsachtervoegsel.
Ook ontleend zijn: mnd. mantel; ohd. mantal (nhd. Mantel); ofri. mantel, mentel (nfri. mantel); oe. mentel, me. mantal (ontleend via Oudfrans mantel; ne. mantle); on. möttull (nzw. mantel). De ofri. en oe. vormen met umlaut wijzen op herinterpretatie van -el- als verkleiningsachtervoegsel pgm. *-il-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mantel1 [overjas] {1220-1240} < middeleeuws latijn mantele, mantile, mantela, mantellus, mantellum [servet, tafellaken, beddenlaken, mantel], klass. latijn mantellum [mantel], mantele [handdoek, servet], van kelt. oorsprong. Voor de uitdrukking met de mantel der liefde bedekken vgl. middelnederlands kint onder den mantel. In de Middeleeuwen werd een bastaardkind bij het huwelijk van de moeder onder de linker slip van haar mantel gehouden waarmee het werd geëcht. Anderen hebben gewezen op Genesis 9:23 waarin staat hoe Sem en Jafeth hun vader, Noach, toen deze dronken lag te slapen, met een kleed, in een oudere vertaling met een mantel bedekten. De uitdrukking de mantel zijns meesters is op hem gevallen is ontleend aan I Koningen 19:19, waar Elia zijn mantel werpt op de schouders van Eliza.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mantel znw. m., mnl. mantel m., mnd. mantel m.v., ohd. mantal, mantil, mandal (nhd. mantel) m., oofri. mantel, owfri., oe. mentel (ne. mantle), on. mǫttull m. In de 7de eeuw, althans na de hd. klankverschuiving < lat. mantellum, afgeleid van lat. mantum ‘korte mantel’ (waarsch. van kelt. herkomst). — De germ. woorden wijzen op een aanpassing van het woord aan germ. afleidingen met het suffix -ala, -ila, -ula (eerder dan op een gallo-romaanse bijvorm *mantulum).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mantel znw., mnl. mantel m. = ohd. mantal, mantil, mandal (nhd. mantel) m., mnd. mantel m. v., oofri. mantel, oofri. owfri. mentel, ags. mentel, meng. mantel (eng. mantle), on. mǫttull m. “mantel”. Ontl. uit rom. *mantellu (lat. mantellum) “mantel, sluier” met aanneming van de germ. beginbetoning en substitutie van de germ. formantia -ala-, -ula-, -ila-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mantel m., Mnl. id., gelijk Hgd. id., Eng. mantle, Ofra. mantel (thans manteau), uit Mlat. mantellum = tafelkleed, bedekking, dimin. van Mlat. mantum = kleedje: vergel. nog Lat. mantile = handdoek, zoodat alle wel teruggaan op Lat. manus = hand.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Zwarte Mantel Oude, min of meer officiële naam voor de Pestvogel, namelijk bij Houttuyn 1762 (hier valt wél de naam als in het lemma, maar niet de naam Pestvogel). Deze schrijft op p.224: “... Sommigen geeven ’er ook den Naam van Wipstaart, Sneeuwvogel en Zydestaart aan; doch de gemeene Naam, in ’t Nederduitsch, is Beemer of Zwarte Mantel.” Bij B&O 1822 was het de derde synonieme naam, bij Albarda 1897 de vijfde.
De naam heeft niets met een op de vogel voorkomende kleur te maken: zijn mantel is althans niet zwart. De naam moet gezien worden als een metonymia: als er Pestvogels ↑ kwamen, zo meende men, dan gingen er mensen sterven aan de pest (“de zwarte dood”), waardoor men zwarte mantels zou dragen als teken van rouw.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mantel (Latijn mantellum)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

De profetenmantel aantrekken, optreden als profeet, profetische uitspraken doen.

In de bijbel worden mantels gedragen door prinsen, prinsessen, profeten en tempeldienaren. Vooral voor profeten lijkt het een kenmerkende dracht; zie bijvoorbeeld 1 Samuël 28:14, in het verhaal over Saul en de dodenbezweerster te Endor: '"Hoe ziet hij eruit?" vroeg Saul. "Het is een oude man, gehuld in een mantel." Toen wist Saul dat het Samuël was, en hij knielde neer en boog diep voorover' (NBV). De uitdrukking de profetenmantel aantrekken is niet letterlijk aan de bijbel ontleend. Ze komt niet vaak meer voor. Soms ontbreekt het werkwoord ook.

Rijmbijbel (1271), v. 9665-70. Saul sprac sijt onuersaghet. Mar segt mi wat ghi saghet. So sprac eenen sconen ouden man. Eens papen mantel heuet hi an. Doe verhorde saul wel. An hare dat was samuel. (Saul sprak: Wees niet bang, maar vertel mij wat u hebt gezien. Zij sprak: Een mooie, oude man. Hij heeft een priestermantel aan. Toen begreep Saul van haar, dat het Samuël was.)
Een volledig verdwijnen van het christelijke geloof zou de Europese cultuur niet kunnen overleven. Even trekt Eliot hier de profetenmantel aan. Zijn woorden krijgen extra gewicht in het zicht van de radicale secularisering die zich in de afgelopen decennia in Europa heeft voltrokken. (NRC, juni 1994)
Bij het ontwikkelen van dat talent moet de profetenmantel plus zotskap van het image meer een last dan en gemak zijn geweest. (Haagse Post, 12-11-1977)

Iets met de mantel der liefde bedekken, iets dat afkeuring verdient goedpraten of negeren.

Ook iets met de mantel der liefde bedekken komt niet letterlijk uit de bijbel. Er zijn echter wel bijbelplaatsen die aan de basis ervan gelegen kunnen hebben: met name Spreuken 10:12, 'Haat verwekt krakelen, maar liefde bedekt alle overtredingen' (NBG-vertaling; de NBV heeft hier 'Haat brengt ruzie voort, / liefde dekt alle fouten toe') en 1 Korintiërs 13:7, over de liefde: 'Alles bedekt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij' (NBG-vertaling; de NBV heeft 'verdraagt' in plaats van 'bedekt'). Deze uitdrukking wordt nog veelvuldig gebruikt en er wordt ook op gevarieerd, zoals in de volgende aanhaling: 'De zaak zal naar aloude Belgische gewoonte gauw toegedekt worden met de mantel der laksheid' (De Standaard, dec. 1995).

Liesveldtbijbel (1527), Spreuken 10:12. Haet verwect twist, Maer liefde bedect alle ouertredinge. (Statenvertaling (1637): Haet verweckt krakeelen: maer de liefde deckt alle overtredingen toe.)
Bij de tweede druk. Een passage uit het interview met G.K. van het Reve is met de mantel der liefde bedekt. (H.U. Jessurun d'Oliveira, Scheppen riep hij gaat van Au, 1967 (1965), p. 8)
O ja! Dat is zo gemakkelijk. Je zegt dat het je spijt en alles is weer bedekt met de mantel der liefde. Maar zo eenvoudig liggen de zaken niet in het leven. (I. ten Broeke-Bruins, De reis van het licht, 1989, p. 146)
'Moeten we alles met de mantel van de liefde bedekken?' vraagt Van Hoof priesterlijk. 'Ik zit ermee, waarachtig. De mens kent zichzelf niet, laat staan de andere, in de tijd die ons gegund is.' (H. Claus, De Geruchten, 1997, p. 79)
Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

man’tel (de, -s), regenjas. De regenjas (vroeger zeiden we mantel, weet je nog?) biedt over het algemeen weinig bescherming (WS 23-1-1982). - Etym.: Ook in BN is ’mantel’ gebr. voor ’herenjas’. In AN is dit veroud. en wordt het woord alleen nog gebr. voor ’damesjas’. Het voorvoegsel ’regen’ kan in Suriname weggelaten worden, omdat men daar geen andere soorten overjas kent dan de ’regenjas’. - Syn. regenmantel*. Zie ook: jas(je)*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mantel ‘overjas’ -> Ests mantel ‘overjas’ (uit Nederlands of Duits); Zuid-Afrikaans-Engels manel ‘geklede jas’ ; Indonesisch mantel, mantol ‘overjas; bemanteling’; Javaans mantel, mantol ‘overjas’; Madoerees mantel, mantēl ‘omslagdoek, sjaal’; Menadonees mantèl ‘overjas’; Minangkabaus manten ‘overjas’; Soendanees mantĕl ‘overjas; plaid’; Petjoh mantel ‘wit jasje met hooggesloten kraag’; Japans manto ‘overjas’; Koreaans mant'ŭ ‘overjas’ ; Negerhollands mantel ‘overjas’; Papiaments mantel ‘overjas’; Surinaams-Javaans mantel ‘regenjas’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mantel overjas 1220-1240 [CG II1 Aiol] <ME Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

561. Op zijn falie krijgen,

d.w.z. afgeranseld worden; een pak slaag krijgen; iemand op zijn falie komen of geven, iemand afranselen. Onder een falie verstond men in de middeleeuwen een mantel, dien de vrouwen omsloegen, een soort regenmantel, een huik, in welke beteekenis het woord dialectisch nog bekend is (Hoeufft, 147). Thans wordt er dialectisch ook onder verstaan een sluier (zie o.a. V.d. Water, 75; Onze Volkstaal II, 85; Teirl. 416: faalde, soort van hoofd- of schoudersluier; evenzoo Antw. Idiot. 414). Vgl. Speenhoff II, 99:

Als ze net zoo trouw was
Als haar lieve man,
Krijgt ze op haar falie
Met de koekepan.

Boefje, 26: Heb 'k met de riem op me valie gehad; Jord. 96: Joapie hep op se foalie gehed; Slop, 77: Hij voor zich had liever een pak op z'n falie dan dàt; blz. 269: Iemand op zijn falie geven; Nkr. VII, 26 Juli, p. 2: Wat heeft die Bram Geldzak op z'n falie gehad! De uitdr. is te vergelijken met: iemand den mantel uitvegen; iemand wat op het jak geven; op zijn wambuis krijgen; dial. iem. wammessen (Nav. XXIV, 418); iemand op zijn barstjánsen geven (De Vries, 62); iemand op zijn vacht of op zijn vestje komen; iemand over zijn schalen komen (Jong. 235); iemand er een over zijn schalengeven (B.B. 195); op zijn govie(?) krijgen (Houben, 93); iemand op zijn kazak of zijn kazuifelgeven (Tuerlinckx, 307; 308); op zijn schabernak krijgen (De Bo), op zijn tabberd, op zijn lappen, vodden krijgen. In het Haspengouwsch zegt men: ‘iemand aan zijn falie komen’ (Rutten, 65 a). Zie verder De Cock1, 152-154; Boekenoogen, 205; Opprel, 55 a; Gunnink, 128; Van Schothorst, 127; fri. immen op syn faelje kommeIn den zin van gezicht (facie) vindt men falie in B.B. 175: Ik wou dat je je falie dicht hield, zegt de Rooie..

1475. Iemand den mantel uitvegen,

d.w.z. iemand een katje of een bekattering (Jord. I, 63; II, 121Vgl. bekatteren, beschuldigen (Peet, 61) en zie N. Taalgids X, 29.) geven, een standje maken, eene strenge berisping toedienen, hem scherp doorhalen. Eene ironische uitdrukking, die wordt aangetroffen bij Harreb. II, 65; Het Volk, 6 Oct. 1913, p. 1 k. 3; 29 Mei 1914, p. 1 k. 4; Hand. Staten-Gen. 1913, p. 2932; Ndl. Wdb. IX, 224; enz. Ze staat gelijk met iemand een pak aanpassen, iemand afkammenDe Arbeid, 19 Febr. 1914, p. 1, k. 3: Er moest afgekamd, gelasterd en gelogen worden., afveteren (Ndl. Wdb. I, 1706), afkwispelen, een kamming geven (Schuerm. 218 b); iemands frak uitborstelen of uitkloppen (Joos, 107 en Antw. Idiot. 431); iemands rug meten (Joos, 107); iemand den pels uitkloppen; iemand afrossen, - afborstelen; iemand zijn bol wasschen, een handschoentje passen, roskammen (Joos, 73), iemand afdrogen (Kl. Brab.), er met den rouwen borstel over gaan, iemand een droge borsteling geven (Antw. Idiot. 277; 278); schrobbeeren - eene schrobbeering geven, eene uitschuring geven (in Friesl.); iemand uitluchten; het haar uitkammen, iemand de kast uitkeren (uitvegen); fri. it hier ûtkjimme (Ndl. Wdb. V, 1408; 1409); het jak afschuieren (W. Leevend VI, 24); den rok uitvegen (Harreb. II, 226 b); iemand 't buis ûtvègen, 't jak ûtstükken (Draaijer, 7 a); den mantel afvegen (Abr. Bl. 3, 128); fri. immen de mantel utfege; utmantelje; gron. de moan (de maan van een paard) overhoalen; de boksem oetstubben; fri. immen ôfhimmelje (reinigen); enz.; fr. trousser la jaquette à qqn; hd. einem den Pelz, die Jacke ausklopfen; einen (ver)wamsen; eng. to dust a p's jacket.

1476. Iets met den mantel der liefde bedekken.

‘Waarschijnlijk is deze uitdr. ontleend aan Gen. 9, 23, waar verhaald wordt hoe Sem en Jafet, toen hun vader Noach, door den wijn bevangen, zich onwelvoegelijk ontbloot had, een kleed namen en uit heiligen schroom achteruitgaande, daarmee huns vaders naaktheid bedekten. Nog duidelijker wordt het door de oudere vertaling, daar deze, in plaats van kleed, werkelijk mantel heeft. De uitdrukking zelve heeft de beteekenis: deze of geene zwakheid of verkeerdheid zijns naasten uit barmhartigheid niet verbreiden, maar verbergen of vergoelijken’; Zeeman, 371. Ook Laurillard, 31, houdt het er voor, dat dit gezegde ontleend is aan de bekende handeling van Sem en Jafet, doch wijst tevens op Paulus' woord: de liefde bedekt alle dingen (I Cor. 13 vs. 7), waarvan het eene aanschouwelijke uitbreiding zou kunnen zijn. Vgl. Büchmann, 106; Ndl. Wdb. IX, 225 (waar aangehaald wordt W. Leev. VI, 160); Villiers, 78; iets bemantelen (hd. bemänteln, ein Mäntelchen umhängen; fr. pallier) en dekmantel (lat. mantellum), glimp, voorwendsel; fr. couvrir qqch. du manteau de la charité; hd. etwas mit dem Mantel der (christlichen) Liebe zudecken; eng. to cover s. th. with the cloak of charity.

1477. De mantel (zijns meesters) is op hem gevallen

beteekent, dat iemand opvolger en geestverwant zijns meesters is, van denzelfden geest is vervuld en in dezelfde richting wil voortwerken. De zegswijze is ontleend aan het bijbelsche verhaal, dat Elia zijn profetenmantel wierp op de schouders van Eliza, ten teeken, dat hij hem tot zijn dienaar en medewerker verkoos. Zie I Kon. XIX, 19; II Kon. II 9-13; Zeeman, 372; Bibl. van Ndl. Ltk. IV, bl. 4: Op letterkundig terrein was de oprichting van de Gids in 1837 een mijlpaal. Drost had de leiding willen nemen, na z'n vroege dood viel z'n profetenmantel op de schouders van Potgieter; Ndl. Wdb. IX 224; Villiers, 78; eng. his master's mantel is fallen upon him.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut