Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mankeren - (missen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mankeren [missen] {manckéren, manquéren 1588} < frans manquer [idem] < latijn mancare [verminken, verlammen], van mancus (vgl. mank).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mankeren ww, sedert Kiliaen < fra. manquer < lat. mancare, een afl. van mancus ‘kreupel, gebrekkig’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mankeeren ww., sedert Kil. Uit fr. manquer “mankeeren” (< lat. mancâre, van mancus “kreupel, gebrekkig”).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

mankere (ww.) ontbreken; Nuinederlands manckeren <1588> < Frans manquer.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

mekeren, bekeren, ww.: mankeren, haperen. Uit Fr. manquer. Bekeren door wisseling van de bilabialen m/b.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

makeer ww.
1. Verkeerd wees, skort. 2. Ontbreek, weg of afwesig wees, of verlang, nodig hê, kort.
Uit Ndl. manquéren (ook manckéren) (1588) 'mis'. Eerste optekening in vroeë Afr. in die vorme mancqúeeren, manqúeeren (1744) (Resolusies van die Politieke Raad, C. 122), waarna in Afr. by Changuion (1844) in die aanhaling 'mankéren (manquer): wat makeer die huis? Wat scheel er aan dat huis' en by Mansvelt (1884) in die aanhaling 'makeer, alg. voor: schelen, ontbreken. Van 't Fr. manquer, door 't Ned. mankeeren'.
Ndl. manquéren uit Fr. manquer uit Latyn mancare 'vermink, verlam' van mancus.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

makeer: “ontbreek, skeel, skort”, m. gesink. n uit Ndl. manke(e)ren (die eerste by Kil as manckeren) uit Fr. manquer uit It. mancare, verb. m. Lat. mancus, “verlam, vermink”, hou verb. m. mank, mankement, vermink.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mankeren ‘missen’ -> Noors mankere ‘ontbreken, schelen’; Indonesisch mangkir ‘verzuimen van werk, school; zakken voor een examen; ontbreken’; Jakartaans-Maleis mangkir ‘ontbreken’; Javaans mangkir ‘missen; niet werken, verzuimen; gedeserteerd (soldaat)’; Makassaars ammangkêré ‘verzuimen’; Menadonees mangkér ‘er niet zijn, spijbelen, niet komen opdagen (op het werk)’; Negerhollands mankeer, mankē ‘nodig hebben, moeten, willen hebben’; Sranantongo mankeri ‘ontbreken, missen’; Saramakkaans mankeri, makéi ‘missen, ontbreken’ (uit Nederlands of Engels); Surinaams-Javaans mangkir ‘verzuimen, niet werken, werk weigeren, spijbelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mankeren missen 1588 [Claes] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal