Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mank - (kreupel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mank bn. ‘kreupel’
Mnl. manc ‘verminkt, kreupel, lam’ in eene hand ... die was ... manc ‘een hand was verlamd’ [1285; VMNW], som waren blint, som houtende ende manc ‘sommigen waren blind, anderen kreupel en mank’ [1291-1300; VMNW].
Ontleend aan Latijn mancus ‘gebrekkig, verminkt, onvolledig’, afleiding van manus ‘hand’, zie → manuaal, met een achtervoegsel waarmee woorden voor fysieke tekortkomingen werden gevormd. Zie ook → verminken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mank [kreupel] {manc [verminkt, gebrekkig, kreupel] 1285} < latijn mancus [verminkt, gebrekkig, kreupel, mank], van manus [hand], dus eig. ‘verminkt aan de hand’ (vgl. manco, verminken).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mank bnw. mnl. manc ‘verminkt, gebrekkig, lam, kreupel’, mnd. mank. Dit woord is reeds vroeg in de Romeinse tijd in Gallië overgenomen < lat. mancus ‘verminkt, kreupel’. (Th. Frings Germ. Rom. 1932, 184-185). De vroege tijd van ontlening blijkt uit de afl. mnl. manken, menken, mnd. minken en nnl. verminken, waarin de stamvocaal dus nog umlaut ondergaan heeft.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mank bnw., mnl. manc “verminkt, gebrekkig, lam, kreupel”. = mnd. mank “id.”. Een wsch. oude ontl., via ’t Rom. van Gallië, uit lat. mancus “id.”. Noch de bet. noch de vorm maakt het noodig oerverwantschap aan te nemen, de vorm spreekt voor ontl. Zie nog hieronder. — Afl.: mnl. menken, minken “verminken, benadeelen, minder maken, verminkt worden, schade, verlies lijden, ontbreken, minder worden” (nnl. nog in verminken). = mnd. minken “verminken”. Als de mnl.-mnd. i niet als dial. variant van e verklaard kon worden, zouden wij mank, (ver-)minken voor ospr. germ. ablautende vormen moeten houden. Veeleer echter is de i uit oudere ė (umgelautete a) ontstaan.

[Aanvullingen en Verbeteringen] mank. Adde: ags. *manc, waarvan be-mancud “verminkt”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

mank. In het Ags. komt de afl. bemancian ‘truncare’ voor (v.Wijk Aanv.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mank bijv., Mnl. manc + Ags. *manc (in gemancian); daarnevens de bijvorm mang in mangel 1 (z.d.w.) en Ohd. mangôn + Lat. mancus = verminkt (z. verminken).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

maank (bn.) mank, kreupel; Vreugmiddelnederlands manc <1285>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

mank b.nw.
1. Met 'n beseerde of gebreklike heup, been of voet waarmee ongelyk voortbeweeg word. 2. Beskadig of met bepaalde probleme, lendelam.
Uit Ndl. mank (al Mnl.).
Ndl. mank uit Latyn manco 'links, gebreklik, vermink, kreupel', oorspr. 'vermink aan die hand', 'n afleiding van manus 'hand'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mank (Latijn mancus)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Mank brengt men in verband met het Lat. mancus = gebrekkig, verminkt. Verwant zijn: verminken; mankeeren = in gebreke blijven, missen; ook mangelen = ontbreken: het mangelt hem aan geld. Vgl. nog ’t Mnl.: „Wes (= wat) men ghelooft (= belooft) den goden, dat sal men houden sonder manck” ( = zonder mankeeren). Ook bij Willems: „Zijn been is ontwricht, misschien zal hij geheel zijn leven moeten manken” (= mank loopen). – Vgl. ook nog voor den vorm verminken:

„Litteyckens dienen niet, maar deugden moeten blinken;
Maeckt dat men daer op siet in plaats van uwe mincken,”
waarin mincken beantwoordt aan ons „kwetsuren”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mank ‘kreupel’ -> Engels † mank ‘kreupel, verminkt; verminken’ (uit Nederlands of Frans); Duits dialect minken ‘benadelen, schade oplopen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mank kreupel 1285 [CG Rijmb.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1474. Mank gaan,

d.w.z. gebrekkig, kreupel gaan, hinken, dus niet goed gaan; ook in overdrachtelijken zin gebrekkig zijn, evenals het lat. claudicare; fr. clocher; hd. hinken; eng. to halt, in de uitdr. die vergelijking, dat bewijs gaat mank, is gebrekkig, niet juist. Vgl. Hooft, Ned. Hist. 938: O hinkende gelykenis; 300: Hoewel de verweernis groflyk hinkte; Halma, 337: Een mank of gebrekkelijk bewijs; die gelijkenis, bewijsreden gaat mank. Vandaar bij uitbreiding aan iets mank gaan, gebrekkig zijn ten opzichte van iets, aan een euvel lijden (18de eeuw), aan hetzelfde euvel mank gaan, met hetzelfde zedelijk gebrek behept zijn, syn. van in ' t zelfde gasthuis ziek liggen (Halma, 808) en aan hetzelfde been mank gaan, met hetzelfde sop overgoten zijn (Joos, 77). Zie Ndl. Wdb. IX, 209; Villiers, 78.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut