Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

manier - (wijze van handelen, gedraging)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

manier zn. ‘wijze van handelen, gedraging’
Mnl. maniere ‘wijze, manier’ in demaniere uan den leuene ‘de manier van leven’ [1236; VMNW], ‘gedraging’ in gheuougher manieren ‘van fatsoenlijk gedrag’ [1287; VMNW], een ander manier ‘een andere manier’ [1351; MNW-P].
Ontleend aan Frans manière ‘manier van doen’ [ca. 1119; Rey], het zelfstandig gebruikte vrouwelijke vorm het Oudfranse bn. manier ‘wat men met de hand bedient, afgericht, handig’, dat ontwikkeld is uit Latijn manuārius ‘met de hand bediend of gegrepen, handig’, afleiding van manus ‘hand’, zie → manuaal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

manier [wijze] {maniere 1260-1280} < frans manière, van manier [behandelen, hanteren, oorspronkelijk: met de hand voelen], van main < latijn manus [hand].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

manier znw. v., mnl. maniere v. ‘manier van doen, soort, gewoonte, aard, gesteldheid, uiterlijk’ < fra. manière < gallo-rom. *manuaria bij lat. manuarius ‘bij de hand behorend’, dan ook ‘handig, geschikt’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

manier znw., mnl. maniere v. “manier van doen, manier, soort, gewoonte, aard, gesteldheid, uiterlijk”. Uit fr. manière — waaruit ook eng. manner —, een rom. afl. van lat. manus “hand”. Ook in andere talen ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

manier v., Mnl. maniere, uit Fr. manière = hanteering, handelwijze, van manier = handelen, een afleid. van Lat. manus = hand (z. mondig).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

meneer (zn.) manier, wijze van handelen; Vreugmiddelnederlands maniere <1236> < Frans manière.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

benieren zn. mv.: manieren. Door wisseling van de bilabialen m/b.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

manier (Frans manière)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Manier, van ’t Fr. manière, van ’t w.w. manier = handelen, en dit van het Lat. manus = hand; manier is dus ongeveer: handeling, hanteering, wijze van doen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

manier ‘wijze’ -> Menadonees manir ‘gedrag’; Negerhollands manier, mani ‘wijze, aard, karakter, omstandigheid’; Berbice-Nederlands maniri ‘wijze’; Sranantongo maniri ‘wijze’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

manier wijze 1260-1280 [CG II1 Wrake R.] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1553. Iemand mores leeren,

d.w.z. iemand terecht zetten, tot zijn plicht brengen; mnl. enen twee leeren tellen of enen manieren, goede manieren aan iemand leeren (eng. to teach one manners), hem betamelijk maken, hem vertellen, hoe hij zich behoort te gedragen. Vgl. Tuinman I, 299: Ymand voor den beitel nemen, dat is, hem mores leeren (ook II, 165); Van Effen, Spect. IX, 58 en Halma, 360: Ik zal u mores leeren als gij dat weer doet, si vous y retournez, je vous apprendrai à vivre; Sewel, 499; Ndl. Wdb. IX, 1128. Ook in het hd. einen Mores (oder Moritz) lehren (anno 1527). Hiernaast mores leeren, op een harde manier leeren hoe men zich moet gedragen (zie o.a. V. Moerk. 571; C. Wildsch. VI, 33).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal