Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mandoer - (opzichter)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mandoer [opzichter] {mandoor 1788, mandoer 1901-1925} < maleis mandur, javaans mandor [idem] < portugees mandador, van mandar [bevelen, opdragen] < latijn mandare [toevertrouwen, een opdracht geven] (vgl. mandaat).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

mandoor s.nw.
1. Iemand wat in 'n toesighoudende en verantwoordelike hoedanigheid optree, veral iemand wat as segsman, opsigter of voorman van 'n groep werkers fungeer. 2. (geselstaal) Iemand wat aandag trek, of wat vernaam of belangrik is, of wat hom of haar so ag, dikw. 'n voorbarige, windmakerige of baasspelerige persoon.
In bet. 1 uit Ndl. mandoer (1788) of meer wsk. direk uit Maleis mandur. Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in vroeë Afr. in bet. 1 op 28 Februarie 1710 in die aanhaling "'t oppermandoorschap over Comps. slaaven" (Resolusies van die Politieke Raad, C.27).
Ndl. mandoer uit Maleis mandur (vgl. Javaans mandor) uit Port. mandor 'beveel, opdra' uit Latyn mandare 'toevertrou, opdrag gee'.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

man’doer (de, -s), (gebr. op suikeronderneming Mariënburg en enige andere plaatsen waar veel Javanen* werken) voorman (voorwerker*). - Etym.: Uit het voormalige NOI.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mandoor [+]: lasgewer, voorman; d. Abr. v. Rieb in 1703 en nog vroeër d. vBr (3) in 1687 gebr., aan d. Kaap nog ± mid. en end 18e eeu (Frank TB 65, 169), uit Port. mandador wat wsk. verb. hou m. Lat. mandare, “beveel”, en mntl. beïnvl. d. mandaryn I (vgl. vLin se vorm mandoryns); v. Bosh (VT 206-7), aanvulling by Scho (TWK/NR 7, 2, p. 12).

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

mandoor1 [opzichter], mandarijn [Chinese ambtenaar]. Ik voeg deze woorden bijeen omdat het mij waarschijnlijk voorkomt dat er tussen beide een nauwe verwantschap bestaat.

Mandoor of mandoer (een gewone verscheidenheid van uitspraak waarbij, naar ik vermoed, dialectverschil ten grondslag ligt) betekent in Nederlands-Indië een opzichter of meesterknecht op een fabriek of bij enig belangrijk werk, iemand dus die aan zijn minderen bevelen geeft. Het woord wordt algemeen gebruikt in het Maleis, Javaans en Soendaas; maar is ook niet minder gewoon in de mond van de in Nederlands-Indië levende Europeanen. Zo spreekt, om een paar voorbeelden uit duizenden aan te halen, De Sturler, Handboek voor den landbouw, p. 1126, van ‘meesterknechts of mandoors voor het voeren der cilinders bij het vermalen van het suikerriet’, en Van Gorkom, Oostindische Cultures, II, p. 42, van inlandse opzichters of mandoers, die bij de indigobereiding het criterium of de tijd daar was om het vocht uit de trekbak af te laten, in de reuk of de smaak van het vocht vonden. Dit woord mandoor, stellig in het Javaans en Maleis van vreemde oorsprong, schijnt af te stammen van het Portugese mandar ‘bevelen, gelasten’, en is vermoedelijk door de inlanders samengetrokken uit mandador ‘lastgever’. Bij Heydt, Geographisch- und Topographischer Schauplatz von Afrika und Ost-Indiën (1744), leest men meermalen mandator, bijvoorbeeld p. 95.

Van hetzelfde Portugese mandar, of waarschijnlijker nog rechtstreeks van het Latijnse mandare, komt nu vermoedelijk ook mandarijn, door de Portugezen mandarin of mandarim uitgesproken. Ik vind in het Portugese woordenboek van Da Costa uit 1794 de latiniserende vorm Mandarinus, die naar het mij toeschijnt zal zijn uitgedacht door de jezueten, die in de Latijnse taal zoveel over China en Japan geschreven hebben. Bij hen zal men vermoedelijk de oorsprong van het woord moeten zoeken, en ik acht het onnodig er het Sanskriet mantrin, in het Javaans en Maleis mantri ‘minister of raadsman van een vorst, staatsbeambte’ bij te halen, dat wat de vorm betreft zeker niet zo goed past. Het woord komt reeds voor bij Van Linschoten, Itinerario, p. 32, 33, in de opmerkelijke vorm Mandoryn. S. de Vries, Curieuse aenmerckingen (1682), deel I, p. 38, zegt over mandaryn: ‘de naem mandarijn is geen Chineesch woord, maar voortgekomen van de Portugeezen, welcke alle magistraten in China dien naem geven, willende daermee sooveel seggen, als de Nederlanders met ’t woord Commandeur. Gelijck ’t dan ook schijnt, dat de naem mandarijn is afgeleyd van ’t Lat. woord mandare.’

Een Chinese oorsprong kan ’t woord mandarijn stellig niet hebben, maar het wordt in alle Europese talen gebruikt om een hoge staatsbeambte in China aan te duiden. Ook noemen wij Manadarijnappels of Mandarijntjes (Frans Mandariniers), een soort van kleine, zoete, bijzonder geurige, licht geribde, enigszins afgeplatte en zeer los in de schil liggende oranjeappels, die naar men zegt in China vooral gebruikt worden om ze aan de mandarijnen ten geschenke te zenden. Zie Lindley en Moore, Treasury of Botany, p. 292. [V]

mandoer3 [opzichter]. Portugees mandador = de bevelende, van mandar: bevelen. In zijn oorspronkelijker vorm mandadore is het woord ook Anglo-Indisch. [P]

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mandoer (Maleis mando(e)r)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mandoer ‘opzichter’ -> Engels † mandoor ‘slavenopzichter’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut