Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mandarijn - (vrucht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mandarijn 2 zn. ‘citrusvrucht (Citrus reticulata of Citrus nobilis)’
Nnl. eene soort van oranje-appel, in Suriname Mandaraine genoemd [1855; Focke], mandarinen ‘soort kleine sinaasappels uit Malta’ [1863; Kramers], mandarijntjes (mv.) [1889; WNT peper I].
Ontleend aan Frans mandarine ‘vrucht van de mandarijnboom’ [1773; TLF], verkorting van orange mandarine ‘mandarijnsinaasappel’, leenvertaling van Zweeds mandarin-apelsin [1751; SAOB] (nu mandarin), waarin het eerste lid het zn. mandarin ‘Chinees staatsambtenaar’ is, zie → mandarijn 1.
De mandarijn komt voor het eerst voor in een reisbeschrijving van de Zweedse scheepskapelaan Pehr Osbeck (1723-1805), leerling en goede vriend van Linnaeus. Zijn Dagbok öfwer en ostindisk resa åren 1750, 1751, 1752 (Stockholm, 1957) werd al vroeg vertaald in o.a. het Duits (1762), het Frans (1765) en het Engels (1771).
Osbeck geeft in zijn boek geen motief voor de naamgeving van deze vrucht. Misschien deed de kleur van de vrucht denken aan de gele kleur van de ambtsgewaden van de Chinese mandarijnen. Een andere mogelijkheid is verwijzing naar de hoogstaande kwaliteit van de vrucht, die in de taxonomie aanvankelijk onder de naam Citrus nobilis bekend stond. Ook zou de vrucht kunnen zijn geschonken aan de mandarijnen, maar dat lijkt minder waarschijnlijk. Vernoeming naar het eiland Mandara, het huidige Mauritius, waar de vrucht eveneens gecultiveerd werd (Pfeifer), lijkt eveneens onwaarschijnlijk.
Lit.: Van der Sijs 1998, 91-94

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mandarijn2 [vrucht] {mandarinen 1865} < frans mandarine [idem], verkort uit orange mandarine [lett.: mandarijnensinaasappel], waarin mandarine hetzelfde woord is als mandarijn1; de vrucht heet misschien zo omdat hij dezelfde kleur heeft als de kleding van mandarijnen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

mandarijn

Toen Portugese kooplieden in de 16e eeuw Voor-Indië bereikten leerden zij daar het woord mandari kennen, de naam die het Tamil, een der Indische talen, gaf aan bepaalde hoge ambtenaren. De Portugezen namen het woord in de vorm mandarim over en toen zij in latere jaren gingen handeldrijven op China, pasten zij die naam op Chinese verhoudingen toe voor: raadsman van een vorst, zoiets als ons: minister. Dit leverde de Nederlandse vorm mandarijn op. Maar het woord mandarijn betekent ook iets geheel anders, namelijk: een kleine, geurige, los in de schil zittende sinaasappel. Dit is precies hetzelfde woord, want reeds in 1834 noemden de Engelse kooplieden deze vrucht mandarin orange, dat wil zeggen: de mandarijn, de beste der sinaasappelen, de sinaasappel die de kroon spant boven alle andere.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mandarijn 2 znw. v. ‘soort sinaasappel’ bekend geworden uit Indo-China en China. Het eerst 1834 eng. mandarin (orange), een woord, dat moet aanduiden, dat de citrus nobilis van alle sinaasappelsoorten de kroon spant. Het is dus hetzelfde woord als mandarijn 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mandarijn II (vrucht). Nnl. uit it. mandarino of fr. mandarine. Hangt op een of andere manier met mandarijn I samen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

2mandaryn s.nw.
Nartjie of nartjieboom.
Uit Ndl. mandarijn (1865 in die vorm mandarinen).
Ndl. mandarijn uit Fr. mandarine, 'n verkorting van orange mandarine, lett. 'mandarynlemoen', waar mandarine verwys na 'n mandaryn (1mandaryn), wsk. so genoem omdat die kleur van die vrug ooreenstem met dié van die kleredrag van mandaryne.
Eng. mandarin (1816).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mandaryn II: ’n soort nartjie; vroeër is selfs aan mandaryn gedink as die mntl. herk. v. d. wd. nartjie; in Eng. in dié bet. sedert 1816 (datg. v. Fr. mandarine in dié bet. nie bek. nie); dVri J NEW gee te kenne dat die wd. verb. hou met mandaryn I deurdat die vrug die “Citrus nobilis” was, maar NED bring dit in verb. m. oranjekleurige drag v. d. mandaryns.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (1998), Geleend en uitgeleend: Nederlandse woorden in andere talen en andersom, Amsterdam

mandarijn

De meeste mensen veronderstellen dat de naam voor de Chinese ambtenaar, de mandarijn, teruggaat op een Chinees woord. Maar dat is niet het geval: het woord is geleend uit het Portugees. Een Nederlandse tekst uit 1682 meldt: ‘de naem mandarijn is geen Chineesch woord, maar voortgekomen van de Portugeezen, welcke alle magistraten in China dien naem geven, willende daarmeê soveel seggen, als de Nederlanders met ‘t woord Commandeur.’

Ook andere talen hebben het woord uit het Portugees overgenomen. In het Frans komt het voor vanaf 1581, in het Engels vanaf 1589. In het Nederlands lezen we in Van Linschotens bekende Itinerarium, ofte Schipvaert naer Oost ofte Portugaels Indien uit 1596: ‘Die Mandoryns van China welcke het princepael governement hebben.’ Hoewel het citaat uit Van Linschoten anders doet vermoeden, betekende mandarijn in die periode in het algemeen ‘hoge Aziatische ambtenaar’ en sloeg het niet speciaal op China.

Het woord is in Azië geleend. In de zestiende eeuw ondernamen de Spanjaarden, Portugezen, Nederlanders, Engelsen en Fransen ontdekkingsreizen naar verre continenten, waaronder Azië. De verschillende volkeren ontmoetten elkaar en namen woorden over van de inheemse bevolking, maar ook van elkaar. Eén zo’n woord is mandarijn. Het woord is begin zestiende eeuw door de Portugezen aan een Aziatische taal ontleend, waarschijnlijk aan Maleis mantari, mant(e)ri, dat ‘raadsman van de vorst, minister, besturend ambtenaar’ betekende. Dit ging terug op Sanskriet mantrin, een afleiding van mantra ‘raad’, een woord dat door de belangstelling voor Aziatische godsdiensten sinds de jaren zestig bekend geworden is als ‘heilige, bezwerende spreuk’ en dat in meditatie gebruikt wordt. Sanskriet is de taal die vanaf 650 voor Chr. in India werd gesproken en daar dezelfde positie had als het Latijn in Europa: het was de taal van religieuze, literaire en wetenschappelijke teksten en is nog langer dan het Latijn in Europa gebruikt.

De Portugezen namen Maleis mantari over als mandarim, dus met een d. Hiervoor zijn verschillende verklaringen gegeven. Eind vorige eeuw meende de taalkundige J.H.C. Kern dat er sprake was van invloed van een andere in India gesproken taal, bijvoorbeeld het Malabaars of het Tamil. Meest waarschijnlijk lijkt echter dat in het Portugees volksetymologisch verband is gelegd met mandar ‘bevelen’ — de betekenissen liggen tenslotte dicht bij elkaar: een besturend ambtenaar geeft bevelen aan de lager gesitueerden.

In westerse talen werd het woord na enige tijd beperkt tot een Chinese ambtenaar, die in het Chinees heel anders heet, namelijk guan. Daarna werd het woord ook de aanduiding voor de Chinese taal die de mandarijnen met elkaar spraken. In het Frans gebeurde dat al in 1604, in het Engels ruim honderd jaar later. De taal van de mandarijnen werd in het Chinees guanhua genoemd, letterlijk ‘ambtenarentaal’. Deze taal, een soort algemene omgangstaal, ontstond omdat de ambtenaren, die op nationaal niveau opereerden, niet uit de voeten konden met de vele dialecten die in China gesproken werden. Voor het bestuur was een taal nodig die iedereen verstond en die boven de lokale dialecten stond. Dat was de ambtenarentaal. In 1674 verklaarde een Engelsman: ‘De taal [...] wordt de taal van de mandarijnen genoemd, omdat zij hem samen met hun bestuur introduceerden, en hij wordt door het hele rijk gebruikt, zoals het Latijn in Europa.’ Het Mandarijn of Mandarijnenchinees, ook wel Noord-Chinees genoemd, is momenteel de meest gesproken taal. Het wordt onderverdeeld in een aantal dialecten. De variant die rond Peking gesproken wordt, vormt de basis van het Modern Standaard Chinees, de standaardtaal.

In China vormden de staatsambtenaren een sterke elite, die de Chinese traditie instandhield. Er bestonden negen rangen, die men kon doorlopen door het afleggen van moeilijke examens waarvoor lang gestudeerd moest worden, wat alleen de rijken zich konden veroorloven. De mandarijnen hadden de naam conservatief en bureaucratisch te zijn, zoals ambtenaren overal ter wereld. Vandaar dat in vele talen het woord mandarijn de aanduiding werd voor een formalist of bureaucraat, iemand die verstard is in een bepaalde culturele traditie maar veel macht heeft. In het Frans komt deze betekenis al in 1830 voor, in het Engels in 1907. Deze betekenis is vooral in literaire werken populair, denk aan Les Mandarins van Simone de Beauvoir en Mandarijnen op zwavelzuur van Willem Frederik Hermans. In kranten is nog wel eens sprake van ‘mandarijnen van de politiek’ of ‘mandarijnen van de universiteit’.

Opvallend is dat meer vreemde titels of functies in het Nederlands en andere talen — het gaat hier om een universeel verschijnsel — een uitgebreide, figuurlijke betekenis krijgen. Zo gebruikt een krant een Turkse titel in zijn beschrijving van Marlon Brando als ‘de werkschuwe pasja’. In ‘de ayatollah van de rock-’n-roll’ wordt een Arabische religieuze titel in totaal andere zin gebruikt, in PR-goeroe, politieke goeroe, management-goeroe gebeurt hetzelfde met een hindoeïstische term. In bloemenmagnaat, krantenmagnaat gaat een Poolse titel schuil, en in havenbaron, textielbaron een Franse.

Maar terug naar de mandarijn. Omdat de data van nieuwe betekenissen telkens in het Frans het vroegst voorkomen, lijkt het erop dat het Frans hiervoor de toon heeft gezet. Een betekenis die volgens alle etymologische woordenboeken zeker uit het Frans komt, is die van ‘soort citrusvrucht’. De vrucht is oorspronkelijk afkomstig uit Zuidoost-Azië en de benaming zal in Azië gegeven zijn. In het Frans heet hij tegenwoordig mandarine. Dit is een verkorting van het oudere orange mandarine uit 1773, dat letterlijk ‘mandarijnensinaasappel, sinaasappel van de mandarijnen’ betekende. In het Engels komt in 1771 — dus twee jaar eerder dan in het Frans! — mandarin orange voor, later net als in het Frans verkort tot mandarin. Het Spaans gebruikt mandarina, een verkorting van naranja mandarina. De motivatie voor de benaming is onzeker. Mogelijk is de vrucht naar de ambtenaar genoemd omdat de kleur van de vrucht overeenkwam met die van de kleren die de mandarijnen droegen. Of men beschouwde de vrucht als bijzonder lekker, ‘een mandarijn waardig’. Wellicht de minst waarschijnlijke verklaring is die van P.J. Veth uit 1889: ‘mandarijnappels of mandarijntjes [...], die naar men zegt in China vooral gebruikt worden om ze aan de mandarijnen ten geschenke te geven.’

Het woord mandarijn is een prachtig voorbeeld van hoe een Portugees woord voor een oosters begrip zich over het hele Westen verbreid heeft, en er uit het Frans vele betekenissen bijkreeg.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mandarijn ‘vrucht’ -> Papiaments mandarein ‘vrucht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mandarijn vrucht 1855 [Focke, Neger-Eng. wrdb. 68] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut