Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mand - (wijde korf)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mand zn. ‘wijde korf’
Mnl. mande ‘korf’ in de toenaam van willem manden [1282; MNW], Willaem den mandemaker van manden xij d ‘willem de mandenmaker, 12 penning voor manden’ [1285-86; VMNW].
Mnd. mande; oe. mand ‘mand’. De beperkte verspreiding lijkt een substraatwoord te suggereren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mand* [gevlochten korf] {mande 1285} middelnederduits mande, oudengels mond (engels maund); etymologie onbekend, mogelijk verwant met (maar zeer omstreden) grieks mandra [omheinde plaats voor vee, stal], oudindisch mandura- [stal]. Voor de uitdrukking door de mand vallen [betrapt worden op een leugen] vgl. een korf krijgen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mand znw. v., mnl. mande v., mnd. mande v., oe. mond v. De etymologie van dit op een klein gebied voorkomende woord is omstreden.

1. Verbinding met de groep van on. mǫndull ‘handvat van de molensteen’, lit. mentùris ‘roerstok’, oi. mathnāti ‘schudden, roeren’ (FW 411) is weinig aanlokkelijk. — 2. Krogmann ZfdPh 65, 1940, 27 gaat uit van een grondvorm *mǝntó-, mǝntā́, die hij verder verbindt met *mṇtós, mṇtā́ ‘hand’, vgl. on. mund v. ‘hand’, mundr m. ‘voogdijschap’, ohd. munt ‘hand, bescherming’, oe. mund v. ‘hand, bescherming, bevoogding’. Nu zou de hand eig. ‘de grijper’ betekenen en zo komt hij tot een idg. wt. *(a), *(a) vgl. lat. matula ‘pot’. Hoogst geconstrueerd. — 3. Gaat men uit van een idg. wt. dan moet men aannemen *mandh, waarnaast als wisselvorm *mand zou kunnen staan, waarvan de bet. is ‘vlechtwerk van twijgen, horde’, vgl. oi. mandurá ‘paardenstal’, gr. (illyr.?) mándra v. ‘omheinde plaats, stal, heining’, thrac. mandákēs ‘band van schoven’ (IEW 699). Men zou dan voor het woord mand komen tot de alleszins bevredigende bet. ‘vlechtwerk’. — Zie voor de verbinding met het woord haaiman W. Foerste, Taal en Tongval 11, 1959. 144 vlgg. — Of ne. maund een voortzetting van oe. mond is, is onzeker; het komt eerst dialec. sedert 1459 voor en daarom denkt Bense 213 aan ontlening uit het nl.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mand znw., mnl. mande v. (m.?). = mnd. mande v., ags. mond v. (eng. maund) “mand”. Oorsprong onbekend. Formeel mogelijk, maar semantisch niet wsch. — mand = “het gedraaide, gevlochtene”? — is verwantschap met obg. mętą, męsti “roeren, in verwarring brengen”, lit. mentùris, “roerstok”, oi. mathnā́ti “hij schudt, roert”: deze wortel menth- schijnt echter “draaien, schudden, roeren” (vgl. event. zonder nasaal nog gr. móthos “strijdgewoel”, klruss. motaty “schudden”) en niet “draaien, vlechten” beteekend te hebben. Ook on. mǫndull m. “handvat waarmee de molensteen wordt gedraaid” en lat. (ontl. uit een ander italisch dial.) mamphur “stuk van de draaibank”, die men wel hierbij brengt, wijzen niet op een wortelbet. “vlechten”. Fr. manne, mande “mand” uit het Germ.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mand v., Mnl. mande + Ndd. id., Ags. mond (Eng. maunde): oorspr. onbek. Ging in ’t Rom. over: Fr. manne, mannequin.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

mandjie s.nw.
1. Houer, oop en met 'n handvatsel of twee ore, gevleg van rottang, draad of iets wat buigsaam is. 2. Hoeveelheid wat 'n mandjie (mandjie 1) volmaak.
Afleiding met -jie van Ndl. mand (Mnl. mande) 'gevlegte houer'. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Mandjie snw. Segsw.: Met die hele mandjie patats uitkom, met die hele saak voor die dag kom. – Harreb. I, 420: Daar heb je ’t heele mandje met de knollen, egter sonder aanduiding van betekenis. Vergelyk verder die uitdrukking: Het mandje met de boom omhoog gooien in die sin van “skandaal maak” wat in vroeg-agtiende-eeuse klugte voorkom (Ndl. Wdb. IX. 183).
Segsw.: Jou maai in ’n mandjie! Sien maai.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mand ‘gevlochten korf’ -> Engels maund ‘gevlochten korf; inhoudsmaat; korenschop’ ; Frans manne ‘grote korf van teenwilg’; Frans mande ‘korf met twee handvatten’; Frans mannequin ‘kleine korf; tuiniersmandje’; Bretons man ‘grote korf’ ; Zoeloe mantshi ‘bak van gevlochten tenen of ander materiaal’ ; Amerikaans-Engels dialect † mont ‘gevlochten korf’; Mohegan-Pequot manodah ‘gevlochten korf’; Sranantongo manki ‘gevlochten korf’; Saramakkaans mánda ‘gevlochten korf’; Sarnami mánki ‘gevlochten korf’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † makatu ‘gevlochten korf’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mand* gevlochten korf 1285 [CG I2, 1020]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2698. (Aanv.) Niet in een mandje melken,

d.w.z. slim zijn; zie Harreb. II, 64: Hij gaat met geen mandje te melken; vgl. hiermede met de mand om melk gaan in Sart. 3, 10, 95: Als hy met de mande om melck sal gaen, hisce loquendi formulis egestatem significamus; Tuinman I, 266: Hy brengt niet veel t'huis, die met de mande om melk gaat, naar 't spreekwoord der ouden.

96. Een rotte appel in de mand maakt de geheele vrucht tot schand,

d.w.z. het kwaad is aanstekelijk, slecht gezelschap bederft goede zeden; lat. uva uvam videndo varia fit. Vgl. in het Mnl. Doct. II, 852: Die appel oec gheerne vervuult die bi verrotten appelen leght. Con. Somme, 478: Een verrotte appel onder ganse appelen verderft die ander appelen, is hi langhe daer onder; Cats I, 408: Een rotten appel in de mande maeckt oock het gave fruyt te schande; De Brune, 425: Een wrotten appel in een mand, maeckt al de reste licht tot schand; Tuinman I, 141; Harreb. I, 17 b; Waasch Idiot. 78 a: Een appel die bedorven is, schendt al wat in de korven is. Syn. is Een schurft schaap bederft de gansche kudde (zie Servilius, bl. 59; Cats I, 410; De Brune, 424; Tuinman I, 141; Harrebomée I, 454), dat ontleend is aan het lat. unius pecudis scabies totum commaculat gregem; fr. il ne faut qu une pomme pourrie pour en gâter cent autres; hd. ein fauler Apfel steekt hundert gesunde an; eng. one ill weed spoils a whole pot of pottage (zie verder Prick, bl. 9).

1232. Naar (de) kooi gaan,

d.w.z. naar bed gaan; hd. in die oder zu(r) Koje gehen (Schrader, 292; Kluge, Seemansspr. 469); oostfri. to kôi gân; eene zeemansuitdrukking. Onder de kooi verstaat men de slaapplaats voor scheepsgasten; vgl. Kiliaen, 310: Koye int schip, cubile nauticum, lectulus nautae; Winschooten, 118; Huygens, Scheepspraet, 17: Mouringh was te koy ekropen; vgl. Halma, 280: Gaa naar kooi, couchez vous. Synonieme uitdrukkingen zijn: in de mat kruipen (De Vries, 83Vgl. fri. matte, duivenhok, nachthok voor kippen.); te vak goan (Molema, 439); naar zijn nest naar de koetscoupé gaan (Jong, 178), naar de couché gaan, naar den koffer (fr. aller dans son nid), zijn mandje, zijn koets gaan, den poetszak ingaan, gaan (Köster Henke, 35), op den koffer kruipen; ook koffertje (zie Peet, 131), in zijne pijp kruipen (Antw. Idiot. 961; De Bo, 856) en naar de pijp gaan (in Gelderland, Gallée, 93 b en in Limburg, Welters 107), waarbij men bedenke, dat de woonplaats van wilde konijnen, dassen en vossen eene pijp genoemd wordt; naar zijne douw (wieg?), zijne schelp gaan (Schuerm. 103 a); in Limburg: tusschen de schummele (= schimmels, witte paarden) goân; in Groningen in 't vijrkant goan (Molema, 463 b); fri.: op 't fjouwerkant gean; op 'e prikke gean; naar zijnen eemer gaan (Antw. Idiot. 394); naar Bethlehem gaan (vgl. Paffenr. 70: Zijn kwartier te Bethlehem nemen), woordspeling met bed (Antw. Idiot. 221; 't Daghet, XII, 142); naar Betje van Veeren (in de Lakenstraat) of naar Kaatje in de Wolstraat gaan; naar Betje Bultzak gaan (Harreb. II, LXXXII); in (of onder) de wol kruipen (Onze Volkstaal II, 120); naar de Vierhoekstraat gaan; de klossebak ingaan (Boekenoogen, 458). In Zuid-Nederland: naar zijn bak (vgl. hd. Penne), zijn kooi, zijn keet, zijn pier (zie Ndl. Wdb. XII, 1564), zijn kevie, zijn sjees gaan; in zijnen polder kruipen; dodo gaan; vgl. hd. in die Federallee spazieren, in die Federredoute gehen, ins Federfeld springen, sich nach Federhausen verfügen, nach Lagerhausen oder Bethlehem gegen, nach Posen umsehen (Schrader, 313); in die Falle oder die Klappe gehen, nach Interlaken reisen; fr. se mettre entre deux draps, dans les toiles; aller au pieu; se coller dans le pieu; eng. to get between the blankets (or sheets); to go to the land of Nod; to go to Bedfordshire; to fluke.

1473. Door de mand vallen (- druipen of zakken),

ook door de ben (o.a. Jord. II, 17), de mat, het net (zie Het Volk, 27 Aug. 1914, p. 6 k. 3) vallen, op zijn plat vallen (Halma, 508)Zie Tijdschrift XXXI, blz. 98 vlgg.. ‘Dit spreek- woord gebruikt men van ymand, die op de beschuldiging eerst iets loochende, maar daar na overtuigt wierd, en dat bekende. Hy valt door de mande, die den bodem inzit, of daar door heen valt, dewyl hem zyn steunzel ontzakt en begeeft. Dit wordt toegepast’ (Tuinman I, 226). Vgl. ook Halma, 127: Door de mand druipen, zijne woorden niet konnen waar maaken; Sewel, 197: Door de mand druipen, to be caught in one's deceit, to make one's self suspect by contradictions. De uitdrukking bewaart eene herinnering aan eene vroegere straf, die door Ter Gouw, de Volksvermaken, 571 aldus wordt beschreven: ‘De veroordeelde werd in een mand boven 't water gehangen, en kreeg eten noch drinken maar alleen een mes bij zich. Pas hing hij er, of alle krengen en welriekende vuiligheden, die de jongens magtig konden worden, vlogen hem om de ooren en vulden zijn mand. Als hij 't niet langer uit kon houden, sneed hij met zijn mes het touw door, en plompte in de gracht, en spartelde naar den kant, maar werd eer 't hem gelukte er uit te komen, vijfentwintigmaal teruggeworpen en weêr ondergeduwd. Eindelijk klonk 't: ‘laat hem nou loopen!’ En de stumpert moest nu een harddraverij houden naar de poort, door de razende menigte gevolgd en met een hagelbui van steenen begroet, totdat hij de poort uit en vrij was, onder voorwaarde, dat hij er nimmer weêr in kwam’Over deze straf zie Rud, Quanter, die Schand- und Ehrenstrafen (Dresden 1901), bl. 114 vlgg. en vooral Verdam in de Handelingen en Mededeelingen van de Maatschappij der Ned. Letterkunde, 1901-1902. Aldaar wordt ook, evenals in Volkskunde VIII, 154, op de hier voorgedragen herkomst onzer uitdrukking gewezen.. Anderen meenen, dat de zegswijze haren oorsprong te danken heeft aan de vroegere gewoonte om een vrijer, dien een meisje niet wilde hebben, een bodemlooze mand te sturen (zie no. 1248Vgl. Nieuwen Jeucht Spieghel, bl. 128: Hoe rijck een Joffrou zy, hoe schoon, hoe groot van Vrinden, //Haer te begheren, derf hy (iemand die te hoog vliegt) sich wel onderwinden: // Dies dickwils oock ghebeurt, dat sulck met groote schandt //Oft een blau Schene loopt, oft vallet door de Mandt.). In de latere middeleeuwen komt de uitdr. in de tegenwoordige bet. voor bij Despars, 4, 377: Vallende allincx zo meer duer die mande ende verkennende daer veel diversche zaken, die men hem te laste leydeMnl. Wdb. IV, 1089.. Zie ook Colijn v. Rijssele, de Spiegel der Minnen, 656: Als verwaende druypende duer de mande (er met schande afkomend); Everaert, 482; Carel v. Mander, 133: Al droper al veil deur de mande, al slaagden velen nietR. Jacobsen, Carel v. Mander, dichter en proza-schrijver (1548 - 1606), Rotterdam, MCMVI.; Poirters, Mask. 224; Boek der Rabauwen, 41; Rab. I, 344: Pantagruel die onlangs alle ouwe kluivers en kootjongens van Wysen verwonnen heeft, zal nu eens tegen den beul te biegt komen en door de mand vallen; Pers, 215 b; 341 b; Spaan, 42; Verm. Avant. I, 99; Idinau, 54:

De sulcke vallen al deur de mande,
Die in hun saken al qualyck uyt-kommen.
Sy blijven in 't vuyle, in schade, of schande.

Sjof. 249; Krat. 199; Dievenp. 53; 122; 158; 164; Nkr. VII, 15 Nov. p. 5; Ndl. Wdb. IX, 184; enz. In den zin van met schande ergens afkomen, niet slagen, mislukken, verkeerd uitkomen, in 't water vallen is zij in Zuid-Nederland en Limburg thans nog bekend; zie De Bo, 668; Schuerm. 362 a; Waasch Idiot. 421; Antw. Idiot. 791; 1887: Deur de mand vallen, mislukken; ook: niet meer weten wat zeggen, niet kunnen antwoorden, zijne woorden niet kunnen waarmaken; Tuerlinckx, bl. 666, die op bl. 204 als synoniemen opgeeft: be ze gat in 't waeter valle, ter deur valle; Rutten, 246 a; Joos, 95; 82; 14: Hij valt er door gelijk door een mande zonder boom: mislukken. Vgl. het 16de-eeuwsche van den planc vallen, voor de verleiding bezwijken (eig. in 't water vallenMnl. Wdb. VI, 414.); mnl. van der kerren vallen, geen voldoend antwoord gevenMnl. Wdb. III, 1209; Ndl. Wdb. VII, 1563, waar een plaats uit later tijd wordt vermeld in den zin van: ‘geen voet bij stuk houden.’; V.d. Water, 79: in de geut valle, in 't water vallen, mislukken; een droevig figuur slaan; Maastricht: door den (as)körref vallen;N. Taalgids XIV, 195. het hd. durchplumpsen, dat ook wijst op in het water vallen; eng. to fall through, mislukken; fr. échouer. Synoniem zijn in den zin van bekennen braken, doorslaan (vgl. Jord. II, 388 en doorslag, zeef) en omslaan (S.S. 72; 74; 75; Köster Henke, 14; 49).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut