Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

manager - (bestuurder van een onderneming; belangenbehartiger van sporters en artiesten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

manager zn. ‘bestuurder van een onderneming; belangenbehartiger van sporters en artiesten’
Nnl. manager ‘opziener, ordehouder bij Engels toneel’ [1847; Kramers], ‘opziener van een renpaardenstal, leider van een wedstrijd’ [1903; Koenen], ‘leider, bestuurder, regisseur, fabrieksdirecteur’ [1908; Baale], ‘theaterdirecteur’ [1920; WNT Aanv.] en ‘belangenbehartiger van artiesten en sporters’ [1960; Koenen], ‘bestuurder of leider van een bedrijf of onderneming’ [1968; Kramers II].
Ontleend aan Engels manager ‘zakelijk leider, bestuurder’ [1682; OED], eerder al ‘begeleider, bestuurder, regelaar’ [1588; OED], afgeleid van manage ‘een onderneming leiden’ [1579; OED], ‘leiden, besturen’ [1570; BDE], eerder al manege ‘een paard in toom houden, trainen’ [1561; OED]. Dit werkwoord is waarschijnlijk ontleend aan Italiaans maneggiare ‘beheersen, in toom houden’ [14e eeuw; DELI], eerder al ‘hanteren, in de hand houden’ [1298-1309; DELI], afleiding via vulgair Latijn *manizare van Latijn manus ‘hand’, zie → manuaal. Zie ook → manege.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

manager [bestuurder van een onderneming] {1847 in de betekenis ‘ordehouder, opziener bij het Engels toneel, zoveel als regisseur’; de huidige betekenis 1901-1925} < engels manager (vgl. management).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

manager znw. m. ‘bestuurder, leider, theaterdirecteur’ < ne. manager, afl. van manage ‘hanteren, leiden’ < ofra. manager < laatlat. mansionāticus ‘tot het huis behorend’.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

manager zn. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = chef, bedrijfsleider, hoofd, baas, leidinggevende. De ambtenaar moest het antwoord schuldig blijven en riep zijn leidinggevende erbij.
[alg.] = drukken op bestelling, uitgeven op afroep, boek op verzoek. Met 'drukken op bestelling' wordt er geen boek te veel gedrukt en voorkom je dus ramsjpartijen.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

manager bestuurder van een onderneming 1847 [Aanv WNT] <Engels

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

manager (Engels manager)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

manager ‘bestuurder van een onderneming’ -> Indonesisch manajér, ménejér ‘bestuurder van een onderneming’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal