Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

man - (mens van mannelijk geslacht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

man zn. ‘mens van het mannelijk geslacht; mens’
Onl. man ‘mens; man’ in uanda trat mi man ‘want de mens vertrapte mij’ [10e eeuw; W.Ps.], an beithen half ere man that gesúoron ‘aan beide kanten zwoeren hun mannen dat’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. man ‘mens, man’ [1240; Bern.].
Os. mann (mnd. man); ohd. man (nhd. Mann); ofri. mon, man (nfri. man); oe. mann, monn, manna, monna (ne. man); on. mađr, mannr (nzw. man); alle ‘man, mens’; got. manna ‘mens’; < pgm. *manan-/*mann-.
De voor- en vroeg-Germaanse geschiedenis van man is niet geheel duidelijk. De overgeleverde vormen kunnen worden herleid tot verschillende verbuigingsklassen en de -nn- heeft aanleiding gegeven tot uiteenlopende verklaringen, waarvan er hieronder vier worden beschreven. 1) Afleiding van pie. *mon-u- (IEW 700), uitbreiding van de wortel *mon- ‘mens, man’, waaruit verder nog: Sanskrit mánu-, mánuṣ- ‘mens, man’; Avestisch mánuš- ‘id.’; en met ander achtervoegsel Oudkerkslavisch mǫžĭ ‘man’ (Russisch muž ‘echtgenoot’) < *mon-g-ih2. In het voor-Germaans had *monu- in de zwakke naamvallen voor een klinker de vorm *monw-, waaruit door assimilatie *monn-, bijv. in de genitief enkelvoud *monnós < *monwós. Deze -nn- werd in het hele paradigma doorgevoerd, dus in de nominatief *monnús. Zo werd in het Proto-Germaans een stam *mann- geabstraheerd. Daarnaast ontstond een n-stam *manan-. Ook de betekenissen van de Indo-Iraanse en Germaanse woorden wijzen op een gemeenschappelijke herkomst. In beide taalgroepen komt bovendien een gelijkluidende eigennaam voor: Sanskrit Mánu(s) geldt als de mythische voorvader van de mensheid, terwijl in Tacitus' Germania een Mannus, zoon van Tuisto, wordt genoemd als mythische stamvader van de Germanen; de godheid zou zijn beschouwd als de ‘oermens’.
2) Een variant van deze theorie gaat uit van dezelfde wortel pie. *mon-, maar dan zonder -u-achtervoegsel. Hieruit zou in het Proto-Germaans een n-stam *manan- zijn afgeleid. In bepaalde naamvallen had in het Proto-Germaans het achtervoegsel van n-stammen de nultrap, en was de stam daar dus *mann-. Deze laatste stamvariant zou zijn gegeneraliseerd in het paradigma, waardoor ook de nominatief enkelvoud een dubbele n kreeg. Op den duur zou deze stam analogisch zijn opgevat als wortelnaamwoord en als zodanig ten grondslag liggen aan on. maðr en os., ohd., ofri. en oe. mann.
De wortel pie. *mon- wordt door sommigen beschouwd als ablautvorm van de wortel *men- ‘denken, geestelijk opgewekt zijn’, zie → manen 2 ‘herinneren aan’. Man zou in deze zienswijze betekenen ‘het denkende wezen’, een abstractie die echter voor zo'n vroege tijd, waarin ook dieren als nadenkende wezens werden beschouwd, weinig waarschijnlijk lijkt.
3) Minder wrsch. is herleiding van pgm. *manan- tot pie. *dhghem-ṓn ‘mens, aardbewoner’, afgeleid van *dhgh em- ‘aarde’. De dentaalanlaut viel in het Proto-Germaans weg; in het resulterende paradigma werd uit de zwakke naamvallen een stamvorm pgm. *guman- gegeneraliseerd; dit is een algemeen erkende etymologie, zie verder → bruidegom, ook voor de Indo-Europese verwanten, waaronder Latijn homō ‘mens’. Daarnaast zou uit de accusatief enkelvoud vroeg-pgm. *gmananun assimilatie *mananun zijn ontstaan, dat gegeneraliseerd werd tot de stamvorm pgm. *manan-. Een bezwaar tegen deze theorie is dat het eerder genoemde en zeer aannemelijke verband tussen man en de mythische Manus/Mannus er niet mee te rijmen valt, omdat hier juist een tegenstelling wordt verwoord, namelijk de mens als aardbewoner tegenover de goden als hemelbewoners.
4) Een recente verklaring (Liberman 2005) stelt de Germaanse godennaam Mannus weer op de voorgrond, maar nu als afleidingsgrondslag voor de soortnaam man, in plaats van omgekeerd. Het in het Gotisch overgeleverde woord gaman, dat ‘medemens’ en ‘genootschap, groep’ betekent zou volgens deze theorie oorspr. het collectief van de vereerders van de god Mannus hebben aangeduid. Later zou deze betekenis zijn uitgebreid tot de individuele aanhangers van Mannus en ten slotte tot ‘mens’ in het algemeen. Woorden van het type ga-man zijn echter afgeleid van soortnamen; gelijkaardige afleidingen van goden- en mensennamen komen in de Germaanse talen niet voor. Men moet dan ook aannemen dat Gotisch gaman een afleiding is van mana- (naast manna nog in samenstellingen) en van oudsher ‘genootschap, groep mensen’ betekende, waarmee de basis aan deze theorie ontvalt.
Van de twee betekenissen van man is ‘menselijk wezen’ de oudste. Later kwam hiervoor in de Germaanse talen veelal de afleiding → mens in de plaats. De algemene betekenis leeft vooral nog voort in tal van vaste uitdrukkingen, zoals man over boord, op de man af. In deze betekenis heeft man het oude uitgangsloze meervoud behouden, zoals na telwoorden: vijftig man ‘vijftig mensen’. De oude betekenis is ook nog te herkennen in alleman (zie onder) en in de oude afleidingen → men, → iemand en → niemand. Opmerkelijk is dat de betekenisontwikkeling ‘mens’ > ‘man’ zich ook in andere talen heeft voltrokken. Zo betekent Latijn homō nog uitsluitend ‘mens’, terwijl de hieruit voortgekomen woorden Spaans hombre en Frans homme ook ‘man’ betekenen. De verzwakte Frans vorm on ‘men’ is vergelijkbaar met Nederlands men.
alleman vnw. ‘iedereen’. Onl. forhtida alla man ‘iedereen werd bang’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. alleman, alman ‘iedereen’ in ghetrouw[e]like ieghens all[eman] [1299; VMNW], Alman zal ten menen werke comen op den dyc ‘iedereen moet naar het gemeenschappelijke werk aan de dijk komen’ [1319; MNW], Alleman spranck int hernasse ‘iedereen sprong in het harnas’ [1470; MNW springen]; vnnl. die van Jan alleman ... niet verstaen kan worden ‘die niet door iedereen kan worden begrepen’ [ca. 1600; iWNT]; nnl. Jan en alle man [1785; iWNT], van die huurkoetsen daar jan en alleman inzit [1793; iWNT huren]. Gevormd uit het onbepaald voornaamwoord → al ‘geheel’ (in het meervoud ‘ieder’) en man in de oorspr. betekenis ‘mens’. Vandaar ook de naam van de Duitse volksstam, de Allemannenmans bn. ‘flink’. Vnnl. daer ben ick mans ghenoegh toe ‘daar ben ik flink genoeg voor’ [1569; WNT], Soo langh as ick allien blijf, word ic niet meer mans ‘zolang ik alleen blijf, word ik niet flinker’ [1612; WNT]. Genitiefvorm van man, dat als bijvoeglijk naamwoord alleen predicatief gebruikt wordt. In het Middelnederlands luidde de uitdrukking man genoech sijn; vergelijk Engels to be man enough. Het Duits heeft eveneens de genitiefvorm: manns genug, dat vanaf Luther voorkomt. Ook Nieuwnederlands, maar nu verouderd, is een ander bijvoeglijk naamwoord mans, dat ook attributief gebruikt kan worden en ‘mannelijk’ betekent, zoals in mansche kracht ‘mannelijke kracht’ [1597; iWNT].
Lit.: A. Bammesberger (1999), ‘MANNUM/MANNO bei Tacitus und der Name der m-Rune’, in: ABäG 52, 1-8; A. Liberman (2005), “Mannus-script: The Origin of the Germanic Word for ‘Man’”, in: Hṛdá mánasā, Studies presented to Professor Leonard G. Herzenberg on the occasion of his 70-birthday, Sankt-Peterburg, 185-200; Stoett 1974

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

man1* [mens van mannelijk geslacht] {901-1000} oudsaksisch, oudhoogduits man, oudfries, oudengels mon, oudnoors maðr, (< mannr), gotisch manna; buiten het germ. russisch muž (vgl. moezjiek), avestisch mainyu- [geest], oudindisch manu-, misschien verwant met latijn mens [geest] (vgl. mentaal), gotisch munan [denken], engels mind, van een stam met de betekenis ‘denken’ → mens. De uitdrukking man en maagd [iedereen] is een verbastering van middelnederlands man ende maech [leenman en bloedverwant]. De uitdrukking mannetjes maken [gekheid maken] werd oorspr. gezegd van beren of hazen die op hun achterste poten zaten en hun voorpoten in de hoogte hielden. Later op mensen toegepast.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

man znw. m., mnl. man ‘mens, man’, onfrank. os. ohd. man (nhd. mann), ofri. oe. mon (ne. man), on. mannr, maðr, got. manna (en in samenstellingen mana-); vgl. ook westgerm. PN Mannus en volksnamen als Marcomanni, Alamanni. — Grondvorm is wel aan te nemen als *manw- uit ouder *manu (vgl. een gelijke ontwikkeling bij kin). — oi. manu- ‘mens’, stamvader’, phryg. PN Mánēs, en verder oi. manuṣa- ‘mens’, osl. mązĭ (> *man-g-ia) ‘mens’. Gaarne denkt men aan samenhang met de idg. wt. *men ‘denken’ (zie: manen 2). — Zie verder: mens.

De verbinding met *men wordt echter vaak afgewezen, bijv. door H. Jensen, Zschr. f. Phonetik und allgem. Sprachwiss. 5, 1951, 245-7. Andere verklaringen zijn niet gelukkiger zoals van Loewenthal, ANF 33, 1917, 128 van een wt. *men ‘grijpen’ of van Fr. Mezger, Word 2, 1946, 239 uit een begrip ‘groeien, verwekken’. — W. Wüst, Suomal. Tiedeakat. toimituksia 93, 1, 1956, 43 verbindt het woord met een idg. *menu ‘klein, dun’, verder met lat. manus ‘hand, slurf van olifant’ en verklaart deze woordgroep uit een jachtsituatie, zeer hypothetisch.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

man znw., mnl. man (nn) m. “mensch, man”. (De bet. “mensch” nog in iemand, niemand, men). = onfr. ohd. man (nn) (nhd. mann), os. man (nn), ofri. ags. mon (nn) (eng. man), on. maðr (*mannr) m. “id.”. Hiernaast got. manna m. “id.” met eenige flexievormen van den stam mann-, in samenst. got. mana-. Alle vormen laten zich bevredigend verklaren, als wij van een germ. stam *manan-, idg. *monon- uitgaan: in de zwakke casus luidde de stam idg. *monn-, germ. *mann-. Evenals oi. mánu-, mánuṣ- “man, mensch”, obg. mqžĭ (*mon-g(h)i-o-) “man” kan *monon- wat den vorm betreft van idg. men- “denken” komen; vgl. manen II. De vraag, of in de idg. periode de mensch “denker” kan zijn genoemd, wordt verschillend beantwoord; sommigen hebben de moeilijkheid pogen te ontgaan door aan men- de grondbet. “blazen, ademen” toe te kennen. Dat laatste is minder wsch. dan een idg. *monon-, *menu-(s-) “denker, mensch”. Zie nog mens.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

man (slot). Het cultuurhistorisch bezwaar tegen de combinatie met manen II heeft tot andere verklaringen van het idg. woord aanleiding gegeven, die alle ten minste even onzeker zijn (o.a. verbinding met lat. manus ‘hand’). Volkomen zwevend Loewenthal Ark. 33, 128: de in het art. vermelde idg. wortel *men- zou ospr. ‘grijpen’ hebben betekend en de ‘man’ zou ‘vastgrijper, omarmer’ genoemd zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

man m., Mnl. id., Onfra. en Os. id. + Ohd. id. (Mhd. id. Nhd. mann), Ags. mon (Eng. man), Ofri. mon, On. mađr met epenthet. d uit mannr (Zw. man, De. mand), Go. manna: Ug. *mann- geassim. uit *manw- of zw. vorm nevens *manan- + Skr. manuṣ, Osl. mažĭ: was eerst een eigennaam: Skr. Manus = stamvader der menschen, bij Tacitus Mannus = stamvader der Westgerm., welke naam van Idg. wrt. men = herinneren, vermanen (z. manen, minne). Fr. mannequin uit (lee)mannekijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

maan (zn.) 1. man 2. echtgenoot; Aajdnederlands man <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

man-, voorvoegsel bij een aantal plantenamen met een onderscheidende functie t.o.v. verwante soorten, maar overigens zonder bijzondere bet. Het gebeurt in navolging van het S, in welke taal er soms een soort tegenover staat die met ’oema-’ (vrouw) begint, wat ook geen (andere) bet. heeft.

man (de, -nen), (ook:) partner in concubinaat. Op een dag moest ik trouwen, want ik had al kinderen en mijn man wilde dat ik met hem trouwde (Doelwijt 1971: 13). - Etym.: In Ned. opkomend gebruik. - Syn. concubaan*. Zie ook: vrouw*.
— : die mannen (mv.), aanduiding voor een aantal of groep mannen, in verbanden waarin in AN ’die mensen’ of ’zij’ gebruikt zou worden. Wel, brother, terwijl ik je dit zo schrijf zitten wij midden in een aktie van medische specialisten. Die mannen vinden dat ze niet genoeg blad* maken (WS 13-3-1982).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Man snw. Segsw.: Daar gaan ’n hoed (of ’n jas, ’n baadjie: ’n paar skoene, ens) met ’n man, van iemand wie se klere te groot is. – Joos 422: “Leerzen, waar gaat ge met dat manneken? Jongen, uwe leerzen zijn te groot.”

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Wees een man, wees flink, niet kinderachtig.

Een bijbelse herkomst voor wees een man is niet zeker. Zij komt in elk geval voor in 1 Koningen 2:2 in de Statenvertaling (1637): 'Ick gae henen in den wech der gantscher aerde: so zijt sterck, ende weest een man'; de NBG-vertaling heeft hier: 'Ik sta op het punt de weg der gehele aarde te gaan, wees gij nu sterk en toon u een man'.

Leuvense Bijbel (1548), 1 Koningen 2:2. Versterct v ende weest een man.
Maar ook psychologisch is de mannenrol zwaar: 'Wees een man', roep de omgeving, en die kreet fnuikt en frustreert zijn menselijkheid en gevoeligheid. (De Tijd, 7-12-1972)
'Je bent nu een grote jongen', 'Je bent te oud om te worden gewiegd en vastgehouden', 'Niet huilen, wees een man', wordt hem gezegd. De vader begint zich terug te trekken en moedigt de moeder aan hetzelfde te doen. Uiteindelijk is het kind geen baby meer. (P.K. Davis, Liefdevolle aanraking, 1993)

Man van smarten, de lijdende Jezus; (fig.) afbeelding van Jezus als lijdende figuur, gewoonlijk gekleed in een lendendoek, met een doornenkroom op zijn hoofd, wonden in handen, voeten en zijde en staande in de geopende graftombe.

Deze verbinding wordt vooral gebruikt als term in de kunstgeschiedenis voor een beeld of afbeelding van Jezus als lijdende figuur, waarvan de hierboven genoemde elementen de meest voorkomende waren. Deze meer realistische voorstelling kwam sinds de dertiende eeuw in het westen op. De benaming man van smarten gaat terug op Jesaja 53:3, 'Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht' (NBG-vertaling; de NBV heeft hier 'hij was een man die het lijden kende') .

Statenvertaling (1637), Jesaja 53:3. Hy was veracht, ende de onweerdichste onder de menschen, een man van smerten, ende versocht in cranckheyt.
[...] het gebrul van finish him van lieden die lichtjaren verwijderd staan van de man van smarten die gezegd heeft, dat als je op je rechterwang geslagen wordt je je linkerwang moet toekeren. (NRC, sept. 1994)
Bij privédevotie gaat het om de letterlijkheid en de lichamelijkheid van de afbeelding, bijvoorbeeld de Man van Smarten -- je moet de heilsvoorstelling in jezelf voelen branden, zegt Van Os. (NRC, nov. 1994)
Wie neigt er niet toe om in een museum snel aan zo'n religieus getinte vitrine vol madonna's en mannen van smarten voorbij te lopen? (NRC, nov. 1994)

Een man of één uit duizenden, iemand of iets met zeldzame (positieve) eigenschappen.

De uitdrukking een man uit duizenden stamt uit Prediker 7:28 in de Statenvertaling (1637): 'eenen man uyt duysent hebbe ick gevonden, maer een vrouwe onder die alle en hebbe ick niet gevonden'. De NBV heeft hier: 'Onder duizend mensen vond ik er maar één die ook werkelijk een mens was, maar het was geen vrouw'. Het woord man in de oorspronkelijke uitdrukking kan tegenwoordig door alle mogelijke andere woorden vervangen worden. Het telwoord duizend in de bijbeltekst is gewoonlijk het meervoudig zelfstandig naamwoord duizenden geworden.

Statenvertaling (1637), Prediker 7:28. Zie hierboven.
[...] te lui om zijn niet geringe gaven als dichter te ontwikkelen en te gemakzuchtig om een huwelijk met een vrouw uit duizenden in stand te houden. (NRC, jan. 1994)
Desteny, een paard uit duizenden. (NRC, juli 1994)
Je bent er één uit duizenden, dat je me de hele dag hebt geholpen. (Voorbeeld, jaren '90)

Een man Gods, een profeet; een geestelijke.

Een man Gods is in de bijbel een benaming voor een profeet, iemand die in een bijzondere betrekking tot God staat: 'zie, daar kwam een man Gods door het woord des HEREN uit Juda te Betel, terwijl Jerobeam op het altaar stond om het offer te ontsteken' (1 Koningen 13:1, NBG-vertaling; de NBV gebruikt hier godsman). De uitdrukking wordt nu wel voor een geestelijke gebruikt.

Liesveldtbijbel (1526), 1 Koningen 13:1. Ende siet een man Gods quam van Juda.
Er komt een hooghartige vader in het boek voor, een aalgladde opportunistische pater en, hoe kan het anders, de progressieve pastor met een pijp en een baard. Maar alras arrangeert de auteur het dusdanig dat de lezer jegens deze man Gods de verdenking bekruipt. (Elseviers Magazine, 11-6-1983)
Er komt een regelrechte sneeuwstorm aanzetten, en jij durft een man Gods [broeder Lupus] af te schepen? (A. van der Lugt, De Claere Waerheit, 1992, p. 118)

Als één man, met z$n allen, allemaal; eendrachtig.

Mogelijk is als één man afkomstig uit de bijbel; vergelijk bijvoorbeeld Rechters 20:1, 'Toen trokken al de Israëlieten uit; van Dan tot Berseba en ook uit het land Gilead kwam de vergadering als één man samen bij de Here te Mispa' (NBG-vertaling). De Statenvertaling (1637) heeft hier 'als een eenich man'. De uitdrukking is zeer frequent.

Liesveldtbijbel (1526), Rechters 20:1. Doen trocken die kinderen Israel wt ende vergaderden een gemeynte als eenen man van Dan tot Berseba. (Statenvertaling (1637): als een eenich man.)
Volgens de Iraakse TV staat de bevolking nog steeds als één man achter zijn leider. (Journaal, jan. 1993)
Niet alleen de raad, maar ook de volledig bezette publieke tribune rees als één man overeind en zong uit volle borst. (Meppeler Courant, apr. 1994)
Vakbonden, middenstand, kerk, kunstenaars en professoren van Sicilië hebben gisteren deelgenomen aan een algemene staking op het eiland. Als één man eisen ze een noodplan om het ekonomisch verval op zijn minst tegen te houden. (De Standaard, nov. 1995)

Man en vrouw zijn één vlees, een getrouwde man en vrouw zijn een onverbrekelijk paar.
Man en vrouw zijn één, dezelfde betekenis als hierboven.

Zie voor deze uitdrukking Matteüs 19:5, 'En Hij zeide: Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en die twee zullen tot één vlees zijn' (zo ook in Genesis 2:24, NBG-vertaling; de NBV heeft 'die twee zullen één worden'). Deze uitdrukking wordt gebruikt om aan te geven dat gehuwden eendrachtig moeten optreden en altijd loyaal ten opzichte van elkaar moeten zijn, maar ook als ironisch commentaar op al te grote saamhorigheid. Een variant erop is man en vrouw zijn één.

Liesveldtbijbel (1526), Matteüs 19:5. daer om sal een mensce vader ende moeder laten, ende sinen wiue aen hangen, ende die twe sullen een vleesch zijn.
Man en vrouw is één vlees, beste Johan. Dat schijn je te vergeten. Als ik verdwijn, als mijn vlees wegrot, hoor jij automatisch te volgen. (J. Wolkers, Alle verhalen, 1981, p. 168)
Man en vrouw behoren één vlees te zijn, maar Benders echtgenote, een zekere Regina, ook wel Queenie genoemd... (H. Mulisch, De elementen, 1988, p. 126)
'Wat moet je met die Eugene?' vroeg de commissaris. Het was een opwelling, zei Katrien. Ze wist het niet zeker. Nieuwsgierigheid. 'Vind je het erg dat ik me ermee zit te bemoeien?' 'Man en vrouw', zei de commissaris, 'zijn één.' (J. van de Wetering, Een toevalstreffer, 1994, p. 222)

Mannenbroeders, mannen behorend tot dezelfde (gewoonlijk behoudende, reformatorische) geloofsgemeenschap of politieke partij; ook: mannen in het algemeen.

Dit woord komt in oudere vertalingen voornamelijk voor in het bijbelboek Handelingen van de Apostelen, als aanspreking van de (mannelijke) aanhangers van Christus, door Petrus of Paulus. Zie bijvoorbeeld Handelingen 15:7, 'En toen daarover veel verschil van mening rees, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet, dat God van de aanvang af mij onder u heeft verkoren, opdat door mijn mond de heidenen het woord van het evangelie zouden horen en geloven' (NBG-vertaling; het komt ook eenmaal in het Oude Testament voor, in Genesis 13:8.) Tegenwoordig worden deze van oorsprong twee woorden niet alleen gebruikt ter aanspreking of aanduiding van mannen die tot een bepaalde geloofsgemeenschap of politieke partij behoren (zie de eerste aanhaling hieronder), maar ook min of meer schertsend voor mannen in het algemeen. De NBV heeft 'broeders' of soms ook 'broeders en zusters' in plaats van 'mannen broeders'.

Leuvense Bijbel (1548), Handelingen 15:7. soe heeft Petrus opstaende tot hen gheseyt, Ghi mannen broeders ghi weet hoe dat Godt [...]
Een minieme opmerking over wat primitief denken op het christelijke erf echter, en de mannenbroeders staan verontwaardigd pal. (NRC, nov. 1994)
Het Gieterse Mannenkoor heeft er zin in vandaag. De stemming zal erin komen, koste wat het kost, laat dat maar aan deze mannenbroeders over. (Meppeler Courant, feb. 1994)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

man (de -- in de straat) (vert. van Engels the man in the street); (een -- van veel verstand) (vert. van Frans un homme d’esprit)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Man, van het Idg. manu = mensch, bet. oorspr.: persoon, mensch, zooals bij ons bijv. nog in: „Wij betaalden ƒ 4 den man”; een allemans vriend; iemand (z. d. w.). In ’t Angelsaks. kon man evengoed van een man als vrouw gezegd worden, vgl. ’t Engl. woman = vrouw en ons dial.: vrommes, voor vrouwmensch. Manu was volgens de Indische verhalen de stamvader van den mensch, evenals volgens Tacitus de Germanen beweerden af te stammen van den god Mannus. (Vgl. en zie ook Mensch.) Waarvan dit woord manu afgeleid is, kan niet meer nagegaan worden; sommigen zien er verwantschap in met den Idg. wt. men = denken; man zou dan „denkend wezen” bet.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

man ‘mens van mannelijk geslacht; echtgenoot’ -> Frans dialect man' ‘persoon (pejoratief)’; Negerhollands man ‘mens van mannelijk geslacht; echtgenoot’; Sranantongo man ‘mens van mannelijk geslacht; echtgenoot; mens’; Surinaams-Javaans mang ‘uitroep: hé!, hoor!’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) man ‘mens van mannelijk geslacht’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † mani ‘verwijfde, onzekere man’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

man* mens van mannelijk geslacht 0901-1000 [WPs]

man* echtgenoot 1512 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

390. De dader (of man) ligt (of is) op 't kerkhof,

d.w.z. de dader van het een of ander misdrijf is niet te vinden. Men bezigt, zegt Harrebomée I, 394, deze woorden, wanneer de een de schuld van het kwaad op den ander werpt en de eigenlijke dader niet te vinden is. Dat we hier moeten denken aan het kerkhof als vrijplaats van den beschuldigde, zooals Harrebomée en De Cock1, 61 meenen, is niet waarschijnlijk met het oog op Campen, 5: Die man is al opt kerckhoff, dat aldaar gelijk gesteld wordt met die man is al doot; en Sacrament vander Nyeuwervaert, vs. 157: Wie sout weeten? Mueghelic diet dweerc gedaen heeft leit in deerde. Vgl. nog Handelsbl. 12 Maart 1919 (O.) p. 2 k. 5: Er wordt met alle denkbare zorgvuldigheid naar den dader van de misdaad gezocht. Inmiddels ligt de dader op het kerkhof; 28 April 1921 (O.) p. 2 k. 2: En als wij dan gingen informeeren, als wij een onderzoek ter plaatse instelden, bleken het niet anders dan looze geruchten, waarvan de zegsman op het kerkhof lag. In het fri.: Die 't dien het is net thûs of leit op it tsjerkhôf.

462. Aan eens dooven mans deur kloppen,

d.w.z. geen gehoor krijgen; ook afgewezen worden, niet ingewilligd worden, van een verzoek gezegd. In het Mnl. voor eens doven duer cloppen, naast vedelen vor die dove; bij Sartorius I, 5, 45: 't Is voor een dooffmans deur, nostrates verba fieri dicunt pro surdi foribus, siquidem illinc clamare ac rogitare solent mendici; vgl. Tuinman I, 253; Sewel, 183: Aan een doofmans deur kloppen, to tell a tale to one that is deaf, to sollicit in vain; Harrebomée III, 157; Waasch Idiot. 185 a: aan doovemans deur kloppen of bellen; Antw. Idiot. 1657: aan doovemans deur kloppen; 't is op den doove gefloten; Teirl. 359: an (of op) doovemans deure kloppen. Het is eene in de literatuur van vroegere eeuwen zeer dikwijls voorkomende uitdrukking, waarvoor men soms ook vindt: ‘voor een doodmans deur’ of ‘voor een doove deurVgl. Kiliaen: doode oft doove kole; doode oft doove netel.. In het Friesch: hy kloppet oan in dôvemans of dea-mans doar. Synoniem is doove ooren vinden, wat doet denken aan lat. surdis (auribus) canere, dicere (Otto, 47; Journal, 15).

1169. De kleeren maken den man,

d.w.z. naar zijne kleeding wordt men beoordeeld, geschat, geacht (vgl. Rose, 2086: Scone cledren temen sere ende trecken vorwaert haren here), eene meening, die de Grieken ook waren toegedaan en die de Romeinen uitdrukten door cultus addit hominibus auctoritatem (Otto, 100). In onze taal is dit spreekwoord aangetroffen bij Goedthals, 26: De cleederen maken den man, diese heeft doese aen, la robe refaict l'homme; les plumes font l'oiseau beau; bij Campen, 117: die cleederen maecken den man; Servilius, 80*: tcleedt is de man, diet heeft trecket aen; Sartorius III, 2, 38: de cleer die syn de man, diese heeft, die trectse an; Spieghel, 295; zie verder Tijdschrift XXI, 202: men seecht: die cleedinghe is die man; Poirters, Mask. 70; Vondel, Virg. I, 16: Het spreeckwoort zeit, dat het kleet den man maeckt; Coster, 481, vs. 241; 27, vs. 521; Suringar, Erasmus, CCXXXVI; Halma, 267; Sewel, 393; Harreb. I, 411; Weiland: de rok maakt den man; Afrik. die klere maak die man; Antw. Idiot. 1887: de kleeren maken den man en de pluimen den vogel; Teirl. II, 140: de kleere' maken de man en die z'heet doe z'an. In vele talen is dit spreekwoord bekend; mgri. ευειμαντος εντιμος, ανειμαντος ατιμος, goed gekleed eerlijk, slecht gekleed oneerlijk; hd. das Kleid macht den Mann; Kleider machen Leute (zie Wander II, 1377; 1378); fr. l'habit fait l'homme; on honore communément ceux qui ont beaux habillements; eng. fine feathers make fine birds, dat te vergelijken is met het fri.: moaije fearren meitse moaije fûgels; oostfri.: 't kled mâkd de man, de ên hed, de trek 't an.Vgl. fr. les belles plumes font le bel oiseau.

1463. De man is het hoofd.

Deze woorden zijn ontleend aan Ephesen V, 23, waar de apostel Paulus zegt: de man is het hoofd des wijfs. Bekend is het, dat ook gehoord wordt: de man is het hoofd, maar de vrouw is de nek (die het hoofd doet draaien); zie allerlei varianten bij Wander III, 375.

1464. Een man een man, een woord een woord,

d.w.z. een eerlijk man houdt zijn woord; eig. zoo waarlijk als een man in den besten zin van het woord een man is van eer, zoo is ook zijn woord te vertrouwen. Een zeker reeds zeer oude uitdr., die moet dateeren uit den tijd, dat alle vormlooze contracten bindend waren. Volgens Harreb. II, 56 staat zij opgeteekend bij Gruterus II, 140; Witsen 114; Tuinman I, 251, die haar aldus verklaart: ‘dit zegt men van die getrouw zyn in hunne beloften te houden; men moet een eerlyk man op zyn woord mogen geloven, en dat moet zyn zegel zyn’. Zie nog Hooft, Brieven, 402; 498: Aan zijner E. meêgaan naa de Wijk slaa ik geen' twijfel: gemerkt een man, gelyk men zeidt, niet beeter dan zijn woordt is; Gew. Weeuw. III, 67: Nu moetje 't doen, een man een man, een woord een woord, 't is gezeid. Ook in het fri.: in man in man in wird in wird; Waasch Idiot. 750: één man, één woord; hd. ein Mann, ein Wort; ein Wort, ein Mann; zie Grimm VI, 1564; Wander III, 394; Graf und Dietherr, Deutsche Rechtssprichw. 227 en 230: ‘Nach deutschem Rechte verbinden alle Verträge ohne Rücksicht auf eine besondere Form, wenn nur die gegenseitige Uebereinstimmung des Willens auszer Zweifel steht’, en vgl. hd. Manneswort, het mnl. manwaerheitOok vrouwenwaerheit wordt eene enkele maal aangetroffen; Stallaert II, 188., eer, mansgeloofwaardigheid en mantrouwe, woord van eer, waarbij men in de middeleeuwen gewoon was iets te beloven; vgl. fr. un honnête homme n'a que sa parole; eng. an honest man is as good as his word.

1465. Man en muis.

In de zegswijze ‘het schip is met man en muis vergaan’, d.w.z. met alles vergaan, alle manschappen zijn vergaan en er is geen muis (alliteratie!) aan ontkomen. Bij Sartorius II, 7, 1: Met kat en met muys, cum omnia funditus pereunt, hoc est, cum ne gluma quidem fit reliquum. In de 17de eeuw komt de uitdrukking o.a. voor in het Kluchtspel II, 197; zie ook Spaan, 77; Van Effen, Spect. IX, 164; Halma, 363; Tuinman I, 152: Het schip is gebleven met man en muis, dat wil zeggen, niets dat leven had, is van de schipbreuk ontkomen, van het meeste tot het minste; Sewel, 476: Het schip is met man en muis gebleven; Harreb. II, 59 b; N. Amsterdammer, 9 Jan. 1915, p. 10, k. 4: De kachel werd met man en muis door twee soldaten bij zijn plaatijzeren ledematen gevat en buiten in de tocht gezet; Ndl. Wdb. IX, 170. In West-Vlaanderen zegt men: Geheel het schip is vergaan met tuit en vlerke (De Bo, 1196 a). Ook in het fri. mei man en mûs forgean; fr. le vaisseau s'est perdu corps et biens; hd. mit Mann und Maus; nd. mit Mann un Mus; in het eng. kent men a man or a mouse in den zin van alles of niets.

1466. Man en paard noemen.

‘Dat is, van hem duidelijk en omstandig melding doen, als of men zulk een ruiter, op zoodanig een paard beschreef’; Tuinman I, 234. Volgens het Ndl. Wdb. IX, 170 komt deze zegswijze sedert de 16de eeuw voorIn de middeleeuwen is man ende paert tot nu toe niet aangetroffen; wèl man noch pert; zie Mnl. Wdb. IV, 1078 en vgl. Vondel, Maeghden, 1388.. Zie verder Halma, 337: Man en paerd noemen, nommer celui dont on tient une nouvelle; Sewel, 476: Ik noem u man en paerd, I name you my author; W. Leevend I, 265; II, 122; Harreb. II, 60. Oostfri. ik wil jo man un pêrd nomen (Dirksen I, 73); Joos, 60, citeert: man en stuk weten te noemen, d.i. alles goed weten (mnl. man ende stic); ook in Jord. 248: man en stuk noemen.

1467. Man en maagd.

Deze verbinding komt alleen voor in man en maagd (ook man en macht; zelfs mannemacht) te hulp roepen, iedereen te hulp roepen, waarin maagd verbasterd is uit maag, blijkens het mnl. man ende maech, d.i. leenmannen en bloedverwanten; vgl. Stoke III, 1396: (Hi) sende uut in elker zide (nl. boden) bede an mannen ende an maghen. Zie verder het Mnl. Wdb. IV, 1083-1084; Ndl. Wdb. IX, 3; Volkskunde XVI, 86; Taalgids I, 72-75; Proza Reyn. 172; De Bo, 668: man en maagd, iedereen zonder onderscheid; Antw. Idiot. 1887: iet tegen man en maagd vertellen, tegen iedereen. In de 17de eeuw vinden we de verbastering reeds bij Six v. Chandelier, 72.

1468. De derde man brengt de spraak a(a)n.

Dat deze meening reeds in de 17de eeuw bestond blijkt uit Van Moerk. 223: De derde Man seytme die ken de meeste praet make; Klucht v.d. Schoester, 6: Zoo brengt de darde man de praat aan tot vermaakZie Ndl. Wdb. III, 2422.; zie verder W. Leevend II, 74: De derde man brengt de praat of de stilte an; Tuinman I, 7: De derde man brengt de praat aan. Zie Harreb. II, 54 a; fri. de trêdde man bringt de praet oan; Dirksen I, 20: de darde man brengd geselskup an, wenn drei Personen bei einander sind, kommt die Unterhaltung erst recht in Flusz. Het znw. man heeft in deze uitdr. nog de oudste beteekenis van mensch bewaard, evenals in de gemeene man, op den man af, als de nood aan den man komt, aan den man brengen, enz.

1471. Mannetjes maken,

d.w.z. smoesjes maken, gekheid maken, in de dial. zegswijze maak geen mannetjes (Molema, 256), waaraan soms komisch wordt toegevoegd dan komen er ook geen wijfjes; vgl. het fri.: mantsjes meitsje, veel praats hebben. De uitdr. was in de 17de eeuw bekend, blijkens de Tweede Vijftigh Lustige Historien Johannis Boccatij, anno 1644, bl. 61; 90; 138, enz.: de mannekens maecken, zich den schijn geven van; Tuinman I, 1, die maakt geen mannetjes gelijk stelt aan maakt geen figuuren. In Zuid-Nederland is de uitdr. nog vrij gewoon; zie Claes, 70; Schuerm. 363: mannekens (gemaakte), gemaakte manieren, geveinsdheid, grimmaatjes; Antw. Idiot. 789; 1888: Mannekens maken, met complimenten omgaan, plichtplegingen maken, met afkeuring gezegd; Tuerlinckx, 379: gemakte männekes, kale uitvluchten, fratsen (hd. Fratzen, grimassen), smoesies (makenVan het hebr. šemû' ôt, tijdingen, nieuws.), wat in Zuid-Nederland moezen (maken) of moesjes (maken) heet (Schuerm. 385). Vgl. ook het hd. ein Männchen-; Männchen machen; westph. männekes mâken (Woeste, 170 a); oostfri.: mannekens, mantjes maken, mittelst der Finger an der Wand als Schattenspiel, od. indem ein Jemand allerhand Sprünge od. Capriolen u. Possen macht wie eine Gliederpuppe (Ten Doornk. Koolm. II, 574). Oorspr. gezegd van een haas of een beer, die op zijne achterste pooten gezeten, zijne voorste pooten in de hoogte houdt; vandaar op menschen toegepast: zich potsierlijk gedragen, gekheid maken, zich aanstellen. Vgl. Chomel, 1960 a: Mannetjes maaken is een spreekwijs, die ten aanzien van Haasen en Beeren in gebruik is, wanneer zij zich op de agterste pooten zetten, en de voorsten om hoog houden.Aangehaald in het Ndl. Wdb. IX, 175; zie ook Kluge, Unser Deutsch, 135.

1642. De nood gaat (of komt) aan den man.

‘Dat is, het geld de huid, of het leven. Dan klemt het gevaar allermeest; en daarvoor zal men alles doen, lijden, en wagen’ (Tuinman I, 317). Vandaar: het wordt ernst, het begint er ernstig uit te zien. In de 17de eeuw te lezen bij Cats I, 460; Klucht v.d. Pasquil-maecker, 15; Van Lummel, 754; Gew. Weeuw. III, 18; De Brune, Bank. I, 29; Pers, 448 a; enz. Vgl. ook Sewel, 524: Als de nood aan den man komt, when necessity requireth; Harreb. II, 54; Villiers, 87; Ndl. Wdb. IX, 2068. In het hd. es geht (ist) Not an Mann; wenn Not an 'n Mann gehtVoor de bet van man = mensch, zie no. 1468.; nd. Nôt an Mann, Mann vöran (Eckart, 389).

2573. Als de wijn is in den man, is de wijsheid in de kan.

De waarheid in deze woorden vervat, wordt in de Prov. Comm. 3 uitgedrukt door: als die dranc comt, so is die reden wt, waarvoor we bij Spieghel, 227 vinden: als de wijn inghaat, zoo ghaat de wijsheid uyt; Cats I, 473: als de wijn ingaet, soo gaet de wijsheit uyt; De Brune, 170:

 Daer de wijn gaet in de huyd,
 Daer gaet al de wijsheyd uyt.
 Daer de wyn gaet in de man,
 Gaet de wijsheyd in de kan.

Zie vooral Bebel, no. 442 en vgl. verder Tuinman I, 120; nal. 19; Sewel, 971; Harreb. I, 378 b; II, 461 a; Antw. Idiot. 1443; Wander V, 110; 114; nd. is dat Bêr in 'n Manne, is de Gêst in 'r Kanne (Eckart, 51); is t bêr ut de kan', is d' ferstand ut de man (Ten Doornk. Koolm. II, 570); hd. Wein ein, Witz aus; eng. when wine is in, wit is out; fr. quand le vin entre dans le corps, le jugement s'en va dehors.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut