Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mals - (gemakkelijk te kauwen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mals bn. ‘gemakkelijk te kauwen’
Mnl. mals ‘overmoedig, eigenwijs, drukte makend’ in hem herde mals maken ‘heel veel praats hebben’, letterlijk ‘zich zeer druk maken’ [1350; MNW-R], die emmer es al even malsch ‘die altijd even overmoedig is’ [1380-1425; MNW-R]; vnnl. malsch ‘zacht’ in ten ware dat hi malsch ware, niet ghesouten, noch niet versch ‘behalve als hij (de kaas) zacht, ongezouten en niet jong zou zijn’ [1514; MNW], malts, maltsch ‘zacht, week’ [1599; Kil.], malscher ende soeter van smaeck [1608; WNT].
Wrsch. een afleiding van → malen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mals* [zacht] {mals(ch) [overmoedig, in de weer zijnde, zacht, week (van spijzen)] 1350} oudsaksisch malsk, gotisch untilamalsks [overmoedig]; buiten het germ. grieks malakos [zacht, week], oudiers meldach [aangenaam], ook verwant met mild.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mals bnw. ‘sappig, zacht in de mond’, mnl. malsch, mals ‘overmoedig, laatdunkend; zacht, week van spijzen’; os. malsk ‘overmoedig’, got. untila-malsks ‘op ongepaste tijd overmoedig’ < germ. *malhska-, met -ska-suffix gevormd van *malha, dat men vergelijkt met gr. malakós ‘week’, bláx ‘slap, traag, wekelijk, dwaas’, miers malcad ‘verrotten’, osl. mlĭčati ‘zwijgen’ (IEW 719), dat zelf weer een k-afl. van de stam van malen 1 is.

De typisch nl. bet. ‘sappig, week’ is met nl. kolonisten overgebracht naar de Beneden-Wezer en rechts van de Midden-Elbe, vgl. Teuchert Sprachreste 223.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

blaag znw., nog niet bij Kil. = westf. blāʒə “blaag”. Wellicht ook ags. *blaga m., waarvan blagettan “schreien”. Verwant met lat. flaccus “slap, hangend”, gr. blā́ks, blākós “slap, traag, dwaas”, malakós “zacht, week”, lett. mûlkis “domoor”, oi. mûrkhá- “dom, domoor”; ook lit. blakà “slechte plek in linnen”? Idg. melâ-q(h)- (waarnaast misschien melâ- ḱ-) is een verlenging van melâ-”week, zacht zijn” (voor de bet. van blaag vgl. oi. táruṇa- “zacht, jong”) in oi. mlấyati “bij wordt slap, zwak” (met mlâje- ablautend klruss. mľity “gaar worden”) en met verschillende formantia o.a. nog ier. mlâith, blâith “zacht, week”, gr. blēkhrós “zwak”, arm. mełk, mełm “zacht, weekelijk”, misschien ook russ. blagój “slijfkoppig, leelijk” (lit. blõgas “zwak, slecht” wellicht uit het Witruss.) Men heeft ook mnl. malsc, os. malsk “overmoedig”, got. untila-malsks “op ongepasten tijd overmoedig” vergeleken. Met nog meer waarschijnlijkheid leidt men van idg. melâ- “zacht zijn” ndl. mals (van vleesch e.dgl.; reeds mnl.) af, een ook ndd. bnw. De wortel melâ- “zacht zijn” is identisch met den bij malen I besproken wortel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

malsch bijv., + Ndd. id., gelijk Gr. malakós, Lat. mollis = zacht, bij malen 1. Een Mnl., Os., Ags., Go. homon. dat = driftig, kan niet hetz. w. zijn, maar wel een afleid. van mal 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mals: sappig, week; Ndl. mals(ch) (Mnl. mals(ch), “sag, week”), hou misk. verb. m. maal II in het. “fyn/sag/week maak” (bv. v. kos i. d. mond) en verderop mntl. ook m. Lat. mollis en Gr. malakos, albei “sag/soepel”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mals ‘zacht’ -> Duits dialect malsch ‘(over gewassen) overdadig gegroeid; overvloedig; zacht’; Papiaments † mals ‘zacht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mals* zacht 1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut