Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

malloot - (onnozele persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

malloot zn. (NN) ‘onnozele persoon’
Vnnl. malloot ‘jong, lichtzinnig meisje’ in spinsters, naeysters, malloten [1500-25; WNT], den lichten mallootkens ..., die na de knechtkens zelve loopen [1528; WNT], malloote ‘onbehoorlijke of onnozele vrouw’ [1599; Kil.]; nnl. malloot ‘onnozele man’ in omdat hij geen malloot wou schijnen [1927; WNT trouwen I].
Ontleend aan Oudfrans malot ‘hommel, wesp, horzel’ [12e eeuw; FEW], dat later in enkele Noord-Franse dialecten overdrachtelijke betekenissen zoals ‘mopperig’, ‘babbelziek’ e.d. heeft gekregen (FEW). De betekenis ‘lichtzinnig meisje’ wordt door FEW niet geattesteerd, maar kan wel uit ‘babbelziek (meisje)’ worden verklaard. Voor de overdrachtelijke betekenis uit ‘hommel’ zie ook Duits wilde Hummel ‘dartel meisje’. FEW verklaart het Franse woord als afleiding van mâle ‘mannelijk (oorspr. alleen van dieren)’ < Oudfrans masle < Latijn masculus ‘mannelijk’, zie → macho. Daarvan komen al vroeg afleidingen zonder -s- voor. Ook mogelijk is dat Oudfrans malot ‘hommel enz.’ is afgeleid van Oudfrans mal (bw.) ‘hinderlijk, lastig’ [1080; Rey] (Nieuwfrans ‘slecht, verkeerd’), ontwikkeld uit Latijn malus, zie → malaise.
Voor het Nederlandse woord kan men ook denken aan ontlening aan Oudfrans malote ‘kleine buidel, reistas’ [1348; FEW], verkleinwoord van Oudfrans male ‘buidel’, in een overdrachtelijke betekenis ‘lichaam’ (Bourgondië) [1433-60; FEW], vergelijk nnl. doos, informeel ook ‘vrouw’.
Lit.: A. Kluyver (1897), ‘Malloot’, in: TNTL 16, 159-162

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

malloot [iemand die mal is] {1501-1525} < verouderd frans mâlot, mâlaud [wild, jongensachtig meisje], van mâle [mannelijk] < latijn masculus [idem], van mas [idem], ofwel < dial. frans malot, een soort van wesp of hommel, vgl. stapelgek, waarbij ‘stapel’ staat voor ‘krekel’. In ieder geval voor ons taalgevoel geassocieerd met mal.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

Malloot

Het malle is, dat malloot met mal niets te maken heeft. Wij hebben het woord overgenomen uit het Franse dialectische malot, dat, merkwaardigerwijze, wesp of hommel betekent, maar ook gebezigd werd om een druk, dartel meisje aan te duiden. In het Duits is dat precies zo. Eine wilde Hummel is: een uitgelaten, wild meisje, dat zich dus niet zeer ingetogen gedraagt. Toen het woord in het Nederlands werd overgenomen, heeft men het, zoals te begrijpen is, in verband gebracht met het bekende woord mal en er een verbastering in gezien van malhoofd, een woord dat nooit bestaan heeft, maar dat net zo goed had kunnen bestaan als driftkop en stijfhoofd(ig).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

malloot znw. m. v., sedert de 16de eeuw < fra. dial. malot ‘wesp of hommelsoort’ naast mâlot, mâlaud ‘jongensachtig, wild meisje’, dat van fra. mâle < lat. masculus ‘mannelijk’ is afgeleid. — Terwijl de bet. van het fra. malot reeds als ‘wild gonzend insect’ aanleiding kon geven tot het ontstaan van de huidige betekenis, heeft daartoe in het nl. nog medegewerkt de invloed van mal 2 en misschien ook de homonymie met het dial. hôt voor hoofd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

malloot znw., sedert de l6. eeuw. Uit fr. dial. malot “een soort wesp of hommel”, ook “jongensachtig, wild meisje”; men spelt dan mâlaud, mâlot. [Men houdt de laatste bet. wel voor de oudste. ’t Woord komt dan van fr. mâle (< lat. masculus) “mannelijk”.] In ’t Ndl. al vroeg met mal II geassocieerd en als “mal-hoofd” opgevat (NB. (h)ôt dial. = hoofd).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

malloot v., uit Fr. malot = 1. hommel, 2. wild meisje.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

malloot [gek]. Uit het Frans malote, in Nederland enkel als substantief in gebruik (zie Kluyver in Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde XVI, 159). [P]

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

malloot: iemand die zich dwaas aanstelt. Dit woord heeft niets met mal te maken. We hebben het ontleend aan het Franse dialect, waar malot een soort van wesp of hommel betekent. Het werd echter ook gebruikt voor een druk, dartel meisje. Toen het woord werd overgenomen in het Nederlands, heeft men het verkeerdelijk in verband gebracht met mal. Men beschouwde het als een verbastering van malhoofd, een onbestaand woord, in het verlengde van driftkop. Malloot werd al opgetekend in het begin van de zestiende eeuw.

Fij jou groote malloot. (A. Bormeester, Zijtje Fobers, 1647)
… een politieke malloot als Sartre. (NRC Handelsblad, 09/06/1990)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

malloot (verouderd Frans mâlot, mâlaud)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Malloot, uit fra. malot, dialectisch naast mignot = klein, benaming van een soort wesp; het werd toegepast op een te druk meisje, en door volksetymologie kreeg het de bet. van een mal, niet jong en zich naief voordoend, ook manziek, persoon; verg. mug, naaimug. Ook wel eens als liefkozend woord.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

malloot ‘iemand die mal is’ -> Frans dialect malot, malote ‘babbelaar; criticus; iemand die tegenspreekt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

malloot iemand die mal is 1501-1525 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut