Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mal - (zot)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mal 1 bn. ‘dwaas, raar’
Mnl. mal ‘dartel, weelderig, brooddronken’ in heeft hi ... den coninc ghemaect so mal, ende heeft hem ghewijst den scat ‘heeft hij de koning het hoofd op hol gebracht en hem op de schat gewezen’ [1460-80; MNW-R], mal ‘zot, dwaas, raar’ [1477; Teuth.].
Het woord is oorspr. uitsluitend Noord-Nederlands (en ook nu nog weinig gebruikelijk in het BN) en Nederduits, en heeft dus een beperkte verspreiding. Indo-Europese herkomst is dan ook zeer onzeker, evenals ontlening aan, of invloed van Frans mal ‘slecht’ < Latijn malus. Volgens Lerchner (1965: 197) zou het woord kunnen behoren bij → malen en zou het ‘kapotgedraaid, doorgedraaid’ kunnen betekenen, zoals de vergelijkbare uitdrukkingen malende zijn, doorgedraaid zijn, zie ook → maling.
In de andere Germaanse talen alleen mnd. mal ‘dwaas’ en ofri. mal ‘dom’ (nfri. mâl ‘gek; dol; slecht’). Verdere verwanten zijn minder zeker: oe. āmeallian ‘slap worden’, æmelle ‘flauw, slap’, æmelnes ‘slapheid, moeheid, afkeer’.
Het woord wordt op Indo-Europees niveau wel in verband gebracht met de wortel pie. *mel- ‘bedriegen, misleiden’ (IEW 719), waarvoor zie → malaise.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mal2* [zot] {mall 1477} middelnederduits mal, oudengels ameallian [slap worden], vermoedelijk te verbinden met latijn mollis [zwak], grieks meleos [vergeefs, ongelukkig], middeliers mellaim [ik bedrieg]. Ook wordt gedacht aan verwantschap met smal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mal 2 bnw. ‘dwaas’, mnl. mal, mnd. mal ‘dwaas’; oe. āmeallian ‘smakeloos, slap worden’, œmelle ‘smakeloos, slap’ wijst op een grondwoord *mella, malla.

Voor dit woord, dat op een beperkt gebied voorkomt is de etymologie onzeker. — Men verbindt wel met miers mell ‘vergissing, fout’, mellaim ‘bedriegen’, verder gr. méleos ‘vergeefs, nietig, ellendig’, av. mairya- ‘bedriegelijk’ (IEW 719, die echter hierbij niet nl. mal vermeldt). — De verbinding met smal zou verband leggen met maal 2; zou dan mal duiden op de dartelheid van een jonge koe?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mal II bnw., mnl. mal “dwaas”. = Teuth. mal, mnd. mal “id.”, ags. *meall (blijkens âmeallian “smakeloos, slap worden”, æ̂melle “smakeloos, slap”). Wsch. met ll uit ln en het nauwst verwant met ier. maill “slecht, boosaardig”, osk. mallom, mallud “malum, malo”, die eveneens ll uit ln kunnen hebben, verder met lat. malus “slecht” en òf met ier. mellaim “ik bedrieg”, gr. meleós “vergeefsch, nietig, ongelukkig”, lit. mēlas “leugen”, arm. meł “zonde”, — òf met de woordfamilie van smal.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

mal II bnw. In pl. v. “ier. maill” te lezen: “ier. maile”, maar ook deze vorm is zeer onvoldoende gewaarborgd. Is misschien ier. mall ‘langzaam’ met mal II verwant? — † mallen ww., sedert Kil.; een znw. mallinghe in de 16e eeuw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mal 2 bijv.(gek), Mnl. id., + Ndd. id., Ags. *meall (naar ’t werkw. ameallian + Osk. mallum, Oier. maill = slecht, ook Lat. malus = slecht.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

mal b.nw.
1. (geselstaal; neerhalend) Geestelik versteurd of verstandelik vertraag. 2. Dwaas, onverstandig, irrasioneel, enigsins waansinnig. 3. (geselstaal) Uiters aangetrokke of smoorverlief. 4. (geselstaal) Versot, besonder ingenome. 5. Deurmekaar, wanordelik. 6. Uitbundig vrolik of uitgelate.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. mal (1726 in bet. 1 en 2). Bet. 3 - 6 is wsk. leenbetekenisse van Eng. mad.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1970 in bet. 2).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

malle dries, malle eppie, malle henkie, malle pietje, malle tinus, malle lowietje: dom of gek persoon. Malle Pietje (gespeeld door Piet Ekel) was in 1968 een personage in de populaire televisieserie Swiebertje op de NCRV. Malle Eppie was oorspronkelijk een Amsterdamse straatfiguur midden twintigste eeuw. Zie echter ook opmerkingen onder eppie*. Verder nog: gekke lowietje. Vgl. Eng. simple Simon.

Daar heb je die malle Eppie weer, zei mijn moeder dan. (Jan Wolkers, De hond met de blauwe tong, 1964)
Nee, heus niet, malle eppie! (Heere Heeresma, Geschoren schaamte, 1968)
‘Malle dries! Luilebol!’ schreeuwde moeder terug. (Heere Heeresma, Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp, 1972)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mal ‘zot’ -> Vastelands-Noord-Fries måål ‘zot, boos’; Engels † mally ‘dwaas’; Duits mall ‘dwaas, gek’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

zomerzotheid [dwaze verliefdheid, dwaasheid] (1927). In 1927 verschijnt Een zomerzotheid, geschreven door Cissy van Marxveldt (1889-1948), die bekend is door haar razend populaire meisjesboeken over bakvis Joop ter Heul. Het boek gaat over vijf jonge vrouwen die hun zomervakantie doorbrengen op hetzelfde landgoed als vijf jonge mannen. Verliefdheid en allerlei komische verwikkelingen zijn het gevolg. De titel van het boek (Een zomerzotheid) werd hierdoor een begrip, met als betekenis ‘dwaze verliefdheid, dwaasheid’. Van Marxveldts boeken staan bekend om de vele mode-uitdrukkingen, zoals fuiven, fuifnummer, jolig, lam, leut, mal, moppig, puf, reuze, zalig en zielig.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mal* zot 1477 [Teuth.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

629. Iemand voor den gek (of (den) mal) houden,

d.w.z. den spot met hem drijven, hem beetnemen, hem voor het lapje houden, iemand het lavuit geven (17de eeuwNdl. Wdb. VIII, 1189.; gron. iemand voor de guichet hebben (Molema, 522 b); hd. einen zum Narren haben (oder halten); eng. to make a fool of a p. In het Ndl. Wdb. IV, 936 wordt de volgende verklaring van deze zegswijze gegeven: ‘De vroeger gebruikelijke zegswijze iemand voor zijn gek houden, overeenkomende met (het thans verouderde) eng. to use a person for his fool, doet vermoeden, dat de uitdrukking oorspronkelijk doelde op de gewoonte van vorsten of groote heeren om er gekken op na te houden, om er zich mede vroolijk te maken. De verandering van het bezitt. vnw. zijn in het lidwoord den moest dan natuurlijk volgen. Iemand hield een ander voor zijn gek, d.i. behandelde hem als zijn nar; maar waar meer personen bijeen waren, hield men iemand voor den gek, men behandelde hem als den nar van het gezelschap, als iemand die onder de lustige gezellen de rol van nar vervulde: zoo werd voor den gek houden de algemeene uitdrukking voor het begrip, dat men met iemand den spot drijft’ (vgl. ook Ndl. Wdb. VI, 1144). Dezelfde verklaring geeft ook Borchardt, no. 841. Vroeger zeide men ook iemand voor den sot houdenIn het Mnl. enen vore sot houden, iemand voor gek, maar ook voor den gek houden; zie het Mnl. Wdb. III, 635., iemand voor nar houden, dat thans nog in Zuid-Nederland gebruikelijk is naast het (of den) zot houden met iemand of iet (zie Antw. Idiot. 1500), evenals iemand voor den aap houden (o.a. Zoek. 114) en iemand voor den boer hebben of houden (vgl. Gew. Weuw. III, 15); voor den droel houden (Halma); zie Onze Volkstaal I, 194 en 236; Ndl. Wdb. I, 527; Halma, 145: Iemand voor de fop houden, foppen; Wander I, 1392: einen für einen Gecken halten. In het Friesch: immen for April hawwe.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut