Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

makker - (metgezel, kameraad)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

makker zn. ‘metgezel, kameraad’
Vnnl. macker ‘metgezel, collega’ in Betaelt T. leydecker, medt zijnnen macker ende een operman ‘betaald leidekker T., met zijn collega en een opperman’ [1557; MNW operman], makker ‘vriend, kameraad’ in een vrient en makker [1658; WNT Supp. aanwennen].
Gezien de onderstaande synoniemen in de andere West-Germaanse talen gaat het woord wrsch. terug op mnl. *ghemacke ‘metgezel’, met toevoeging van het achtervoegsel -er (zie → -aar) en Noordzee-Germaanse wegval van het voorvoegsel (Kiliaan noemt macker in 1599 nog Hollands). Het oorspr. woord is met → ge- (sub c, zoals in → genoot en → gezel) afgeleid van de wortel van → maken in de betekenis ‘passen, passend maken’. De betekenis is dan ‘die past bij’. Zie ook → gemak.
Alleen in de 16e en 17e eeuw bestond een nevenvorm met -gg-: ghij magghers fray, drinct vrij den bag ‘beste makkers, drink vrijelijk wijn’ [1562; WNT], magger ‘disgenoot, metgezel, kameraad’ [1573; Thes.]. Deze nevenvorm is ontstaan onder volksetymologische invloed van vnnl. maggher, mangher ‘koopman’ [1599; Kil.], dat al mnl. is en ontleend is aan middeleeuws Latijn mango ‘id.’ met achtervoegsel -er (zie → -aar).
Os. gimako; ohd. gimahho; oe. gemaca; alle ‘metgezel’. Zonder voorvoegsel ge-: on. maki ‘gelijke’ (nzw. make ‘echtgenoot’).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

makker* [gezel] {macker [kameraad, compagnon] 1599} vgl. oudengels gemæcca, naast gemăca (engels match), oudsaksisch gimăko, oudhoogduits gimăhho, oudnoors maki [maat, makker], verwant met gemak, maken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

makker znw. m. Het oudste voorbeeld is mackerscap in 1565 (Scheveningen); Kiliaen kent holl. macker, maar geeft als bet. op maggher ‘koopman’. Dit zal wel gelijk te stellen zijn aan mangher, dat evenals mnd. manger, oe. mangere < mlat. *mangarius naast manganus, vgl. os. mangon, oe. mangian ‘handel drijven’ < mlat. mangonāre. — Dit woord verklaart echter noch de vorm noch de betekenis van makker, dat men eerder zal moeten verbinden met os. gimako, ohd. gimahho, oe. gemaca ‘maat, makker’ (en gemœcca ‘maat, genoot, echtgenoot’), waarvoor zie verder: gemak en maken. — > nhd. macker ‘wie een ander gezelschap houdt’ (sedert 1771, vgl. Kluge, Seemannssprache 563).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

makker znw., het eerst (l565, Scheveningen) voorkomend in mackerscap o. “compagnonschap”. Kil. kent macker als een holl. vorm, in bet. = maggher (zie hieronder). Gew. ziet men in -er evenals bij herder een gesubstitueerden uitgang en men vergelijkt dan ags. gemæcca m. “maat, genoot, echtgenoot” (eng. match), naast gemaca m. “maat, makker” = ohd. gimahho, os. gimako, on. maki m. “id.”, een afl. van de basis van maken, gemak. Voor den wegval van ge- zie maat II, genoot. Deze verklaring is onzeker: l. wegens ’t niet-voorkomen van mnl. *(ghe)macke m., 2. wegens den oudnnl. bijvorm magg(h)er, waarmee Kil. macker (“Holi.”) en mangher gelijkstelt, als bet. “commutator mercium” opgevend. Zijn soms de beide eerste vormen vervormingen van mangher? Zie hierover bij kopen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

makker m., uit *makke, dat met aphaerese van ge uit *gemakke, Os. gimako + Ags. gemæcca, (Eng. match) = gade, gelijke, van maken = passen (vergel. gemak).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

mekke 2, mekker zn. m.: makker, maat. Vnnl. macker is een analogische -er-uitbreiding van oorspr. *macke. Vgl. Oe. gemæcca, gemaca, E. match ‘partner, makker’, Os. gimako, Ohd. gimahho, On. maki ‘maat, makker’. Van het ww. maken. Een makker is dus iemand die met iemand anders iets samen maakt.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

makker s.nw.
Maat, gesel, vriend.
Uit Ndl. makker (Mnl. macker).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

mekke makker, maat (Zuidbeveland, Schouwen). = oeng. (ge)mœcca ‘maat, echtgenoot’, ~ ohgd. gimahho afl. bij maken. Grondbetekenis: ‘wie met een ander samen iets maakt’. Wschl. is nl. makker uit ouder *makke vervormd, zoals nl. herder uit mnl. herde ‘herder’.
Ghijsen 578, NEW 424.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

makker ‘gezel’ -> Fries makker ‘gezel’;? Duits Macker ‘man, vriendje van een meisje’; Deens makker ‘gezel, partner (tijdens het kaarten bijvoorbeeld)’; Noors makker ‘medespeler (vooral in kaartspel)’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

makker* gezel 1562 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal