Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

maken - (vervaardigen, herstellen, enz.)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

maken ww. ‘vervaardigen, herstellen, enz.’
Onl. makon ‘maken, vervaardigen’ in stric macodon fuoti mina ‘een strik maakten zij voor mijn voet’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. maken ‘maken, vervaardigen; in een bepaalde toestand brengen; veroorzaken; herstellen’, in dat hi dewonde niet ne heuet ghemaket ‘dat hij de wond niet heeft veroorzaakt’ [1237; VMNW], wedwe maken ‘tot weduwe maken’ [1240; Bern.], hi der nonnen makde sur har leuen ‘hij maakte de non het leven zuur’ [1265-70; VMNW], vanden houden kocghe te makene ‘voor het repareren van de houten kogge’ [1284; VMNW].
Os. makōn (mnd. maken); ohd. mahhōn (nhd. machen); ofri. makia (nfri. meitsje); oe. macian (ne. make); alle ‘maken, vervaardigen, scheppen, doen e.d.’, < pgm. *makōn-. In de oude taalfasen is het woord alleen in het West-Germaans geattesteerd. On. maka ‘maken’ is een leenwoord uit het mnd. Wrsch. is pgm. *makōn- een afleiding van de wortel *mak- ‘passend, geschikt’. Afleidingen van dezelfde wortel pgm. *mak- zijn o.a.gemak en → makker. Zie ook → metselen.
Verwant met: Grieks mássein ‘kneden’; Oudkerkslavisch mazati ‘besmeren, bestrijken’ (Russisch mázat'); misschien ook Lets iz-muozêt ‘besmeren’; Bretons meza ‘kneden’; Armeens macaw ‘vastkleven’; < pie. *mh2eǵ-, *mh2ǵ- ‘strijken’ (IEW 696, LIV 421). De huidige betekenis is wrsch. ontstaan uit een oudere betekenis ‘de wanden met leem besmeren’ en zou dan ontwikkeld zijn in het kader van de huizenbouw, vergelijk Latijn maceries ‘lemen wand’. Al in de oudste Germaanse taalfasen heeft het werkwoord de meer algemene betekenis ‘maken, vervaardigen’. Alleen het Nieuwijslands heeft nog een spoor van de oorspr. betekenis bewaard in maka ‘smeren’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

maken* [iets in een bepaalde toestand brengen] {oudnederlands macon 901-1000, middelnederlands maken} oudsaksisch măkon, oudhoogduits măhhon, oudfries măkia, oudengels măcian; wordt verbonden met latijn maceria [muur], grieks massein [kneden], oudkerkslavisch mazati [smeren]; de grondbetekenis is ‘kneden’ (van meel, mortel).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

maken ww., mnl. maken, onfrank. macon, os. makon, ohd. mahhōn (nhd machen), ofri. makia, oe. macian (ne. make), Het on. maka is ontleend < mnd. maken. — Zie: mak, gemak en makker.

Opvallend is nijsl. maka ‘besmeren (met vet of zeep)’, want deze bet. wijst nog op de oude bet. van de leembedekking van de huiswand, die Meringer IF 17, 1904-5, 146 vlgg. voor germ. *makōn heeft vastgesteld, vgl. gr. mázō ‘kneden’, lat. maceries ‘leemwand’. Zou dan on. maka alleen maar de bet. ‘maken’ ontleend zijn?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

maken ww., mnl. māken. = onfr. macon, ohd. mahhôn (nhd. machen), os. makon, ofri. makia, ags. macian (eng. to make) “maken”, resp. “inrichten, samenvoegen enz.”. Laat-on. maka “bewerken, lastig vallen” is ontleend. Men heeft terecht, uitgaande van de bet. “samenvoegen” (die ook met ’t oog op de bij ’t verwante gemak genoemde woorden aannemelijk is) ier. mâm “jugum, servitus” vergeleken. Hierbij ook misschien nog av. maga- “bond, godsdienstige bond”. Hoogst onwsch. is de grondbet. “kneden”, op grond waarvan men gr. mágeiros “kok”, máza “gerstebrood” e.a. gr. woorden vergeleken heeft.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

maken. De combinatie met gr. mágeiros ‘kok’, magís ‘deeg’ verdient meer waardering dan zij in het art. geniet. Hierbij verder o.a. obg. mažǫ, mazati ‘besmeren, zalven’, mogelijk ook ier. maistre ‘botervat’. Semantisch vgl. woorden met de bett. ‘maken, vormen’ en ‘kneden, besmeren’ e.d. in de groep van deeg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

maken o.w., Mnl. id., Onfra. macon, Os. makon + Ohd. mahhôn (Mhd. machen, Nhd. id.), Ags. macian (Eng. to make), Ofri. makia, On. make (Zw. maka, De. mage) = passen, samenvoegen, bewerken, bouwen; wellicht van Idg. wrt. mag̃ = kneden: Gr. mageús = kneder, magús = trog, Osl. mazati = kneden; z. ook mengen en metsen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

make (ww.) maken; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) maken, Aajdnederlands makon <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. maken (onvervoegd), laten permanenten of watergolven (haar). Ik ben m’n haar komen maken = Ik kom om m’n haar te laten permanenten. - Etym.: Lett. vert, uit S: Mi kon mek’ mi w’wiri (ik kom maken mijn haar). Vgl. AN: Ik moet m’n haar nog doen = kammen, opmaken. Zie ook maken* (II. 1).

niets: zie niks te maken* (hebben).

II. maken (maakte, heeft gemaakt), (ook:) 1. doen (i.h.a., in vele verbanden). De radio-omroeper die het begrip voorzitter vertaalt door ’ambrabasi’ laat zien dat hij absoluut geen moeite gemaakt heeft om te ontdekken dat er een veel adekwater woord als ’edeman’ bestaat (B. Ooft 1968: 17). Ze is dolgelukkig met alles wat ik haar cadeau maak (Vianen 1979b: 18). Hij heeft erover nagedacht om het toelatingsexamen voor de Algemene Middelbare School te maken (van Mulier 1972: 58). Overal speelden we. In de kreek*, op de rivier. Oom Willem kwam langs en maakte ons standjes (B. Ooft 1969: 93). Mama, hij maakt zóóó [met een gebaar] voor* me! (mond.) = Mama, hij doet zóóó tegen me! - 2. verwekken (kind). In Holland hebben de jongens, de mannen een beetje meer verantwoordelijkheidsgevoel dan hier. Er zijn ook meer wetten, regelingen. Een kind maken betekent trouwen of betalen. Dus kijken ze wel uit (Doelwijt 1971: 54). - 3. baren, voortbrengen. Hier op deze pranasi (plantage) heeft hun moeder ze gemaakt en hier liggen ze begraven (Waller 8). - Etym.: Vgl. E to make, heeft vaak bet. als 1. S meki, in vele gevallen als 1; bet. ook als 2 en 3. - Zie ook: aanmaken*, uitmaken*, dichtmaken*, openmaken*; het beestachtig* maken, blad* maken, bullebak* maken, mode* maken, mooi oogje* maken, morserij* maken, schandaal* maken, witte voetjes* maken, vrijpostigheid* maken.
— : te maken hebben (had, heeft gehad), van belang zijn, ertoe doen. Heeft ’t te maken hoe die man er uitziet? (mond.) = Doet het er wat toe hoe die man er uitziet?
— : niks (neks, niets) te maken hebben, 1. (met een zaak als onderwerp) niet van belang zijn, er niet toe doen. Ze was nie kleinzerig*, integendeel! Haar had ’t niets temaken, wat mensen van d’r wilden zeggen (Cairo 1978b: 272). - 2. (met een persoon als onderwerp) er niet mee te maken hebben, er geen belang bij hebben, er geen belangstelling voor hebben, er onverschillig voor zijn, er lak aan hebben. Ik heb niks te maken bet. vaak ’het kan me niet schelen, het laat me koud’. En ze hebben een betere baan voor me daar, bij die motjo’s* in Pussycat, in de bar, maar ze kunnen me hoepelen, ik wil niet meer, zo ben ik nou eenmaal. Ik heb niks te maken (de Recht 150). Ze hebben niets te maken dat men weet dat ze commerciële sex bedrijven, vooral met Guyanezen* (BN 115: 36; 1979). Laat ze me broertje* dreigen*. Lena zei zo* om ’t plagen van die anderen. J’hebt nèks temaken, hoor Haroldje! (Cairo 1980c: 205).
— : niks (neks, niets) te maken (vaste uitdr.), dat heeft er niets mee te maken, dat doet er niet toe. Een jongen uit een behoorlijke familie. Niets te maken. Ze hebben ze gewoon gestopt tussen al die kaoilopers (Vianen 1971: 154).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

maak: doen, verrig, vervaardig, voortbring; Ndl. maken (Mnl. maken), Hd. machen, Eng. make – bek. in Ndl. is: te gelde maken, “tot geld omsit, verkoop”, maar geld maken bet. gew. “geld munt”, dog dit kom ook voor in bet. “geld verdien; wins maak”, blb. egter betr. laat (WNT IX 120), ’n vroeër vb. by vRieb (d.d. 29.3.1656) waar v. d. verkoop v. vrugte deur d. ingesetenes v. d. Kaap gesê word: “deselve al een fray stuyvertjen comen te maecken” – sou geld maak in bet. “geld verdien, wins maak” desondanks ’n Angme. in Afr. wees?

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

maken (het --) (vert. van Engels to make it)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Maken, van den Germ. wt. mak, die samenvoegen, bij elkander passen bet., waaruit later ’t begrip ontstond: vervaardigen, scheppen. Verwant is gemak (zie mak): wat bijeen behoort, gepast, geschikt; als zelfst. naamw. is gemak: iets wat passend is, gerief; vgl. gemakkelijk. Ook makker, Os. gi-macco (gi = samen): wie samen past, wie bij een ander past.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

maken ‘iets in een bepaalde toestand brengen’ -> Deens makke ‘iets in een bepaalde toestand brengen, iets in een verkeerde toestand brengen’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens mage ‘regelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors makke ‘in elkaar flansen, slecht werk verrichten’; Noors make ‘in orde maken, regelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds maka (på sig) ‘(op)schuiven, iets verplaatsen, zich verplaatsen’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans maquiller ‘iemand opmaken; iets vervalsen’; Frans maçon ‘metselaar’ Frankisch; Italiaans maquillage ‘uiterlijke verfraaiing, het opleuken’ ; Esperanto masoni ‘metselen’ ; Javindo maken ‘iets in een bepaalde toestand brengen’; Negerhollands maak, māk, mā, mak ‘iets in een bepaalde toestand brengen, doen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

maken* iets in een bepaalde toestand brengen 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1458. Iemand kunnen maken en breken,

d.w.z. iemands meerdere zijn, hem verre overtreffen in lichaamskracht of in geestvermogen; zie Ndl. Wdb. III, 1228 en 1232; Mnl. Wdb. IV, 1045; I, 1430: Ghesonde of siecheit van live ne sal meer no min breken no maken minen zin (zal nooit eenigen invloed op mijn geest hebben); Sartorius, II, 9, 17: Ick wil hem breken, ende weder levendigh maken, de imbecillis, et viribus longe inferioribus dicebatur; Molema 266 a: hij ken hom wel moaken en breken, zegt men van twee vechtenden, waarvan de eene veel sterker is dan de andere; fri. hy ken dy wol meitsje en brekke, gij zijt niet tegen hem opgewassen.

2450. Iemand voeten maken,

d.i. hem doen wegloopen, hem wegjagen, hetzelfde als het sedert de 18de eeuw voorkomende iemand beenen makenZie Ndl. Wdb. II1, 1306; Tuinman I, 284: Ymand beenen maken, dat is, hem doen betoonen, dat hy die heeft, door gaan of vluchten.); hd. jemand Beine machen; eig. maken dat iemand voeten krijgt. Vgl. Ned. Hist. 714: De Engelsche ruiters die den Rennenberghschen de verooverde vendels ontjoeghen en voeten maakten; Pers, 253 a: De andere stelden sich tegen den schout aen, die sy voeten maeckten; Paffenr. 67: Al quam den bitebou selver, 'k sou hem wel haest voeten maken; Winschooten, 340: Iemand voeten maaken, iemand met geweld doen vertrekken; Tuinman I, 284; II, 146; Bed. Huish. 36; Halma, 737: Iemand voeten maaken, iemand de vlugt doen neemen; Sewel, 902; nd. ik will di Föt mâken (Eckart, 135); eng. to make a p. find his legs; fr. faire qqn jouer des jambes; vgl. Köster Henke, 37: kuiten maken, gaan loopen; fri. immen skonken meitsje.

2458. Zich uit de voeten maken,

d.i. wegloopen, zich wegpakken, zich buiten gevaar stellen; vroeger ook zich uit de paardevoeten maken; dus oppassen, dat men niet overreden of ver-trapt wordtVgl. Mnl. Wdb. VI, 275; Suringar, Van Zeden, vs. 351: Van kinderspele ende van quaden tonghen // Der quader knechte, houde ende ionghe, // Van paerdenvoeten, van smeekers tale // Sulstu di wachten, so doestu wale.. Vgl. Erasmus, CLXXVIII: εκ των ποδων ιππειων, id est procul e pedibus equinis; etiam hodie vulgo dicitur, cum significant fugiendum esse periculum; Servilius, 251: procul e pedibus equinis, verre wt peerts voeten; Sart. I, 4, 47: wech uyt de paerde voeten; H. Sacr. v.d. Nyeuwerv. 808: Ghij sijdt daer uut der perden voeten; P.C. Hooft, Warenar, vs. 151: Men loerd' me zoo niet, het moest uit de paardevoeten; Brederoo, Moortje, 2285 (in eigenl. zin); W.D. Hooft, Verl. Soon, 40: 'k Was blijdt dat ick mitter haest raeckten uyt de paerdevoete; Paffenr. 70: Laet ons gaen leggen onse hoofden uyt de peerdevoeten; De Brune, Bank. II, 169: Hy wel, uyt der peerden voeten (= veilig) zit, die op den toren de klocken doet bayaerden; enz. Vgl. Tuinman I, 283: Hy maakt zich uit het stofVgl. Vondel, Olyftack, vs. 20; hd. sich aus dem Staube machen. dat is, hy pakt zich weg; dit behoeft hy niet te doen, die zich buiten schoots houd, en uit de paardevoeten blyft; ook II, 193. Uit de voeten blijven, maken, dat men er niet tusschen komt, 17de eeuw uit de kinken blijven, thans dial. uit de kinkels (kronkels in een touw of een ketting) blijven (zie Winschooten, 106; N. Taalgids XII, 148). In het hd. einem aus den Füszen gehen; sich aus den Füszen machen (Grimm IV1, 986; 1001); Tuerlinckx, 700: uit de voete zijn, weg zijn, afgedaan zijn; hum uit de voete maken, zich uit de voeten maken; Antw. Idiot. 1392; Schuermans, 824 b: uit de voeten geraken, weg geraken; uit de voeten zijn, weg zijn (dial. ook in Noord-Nederland in den zin van aan kant zijn); afrik. hy het hom uit die voete gemaak; vgl. ook Rutten, 263 a: zich uit iemands voeten zetten, zich wegmaken; Antw. Idiot. 1754: iet of iemand uit de voeten helpen, iemand uit den nood, uit de verlegenheid helpen; Tuerlinckx, 248: iemand uit de voeten helpen, iemand bedienen van iets, opdat hij kunne weggaan; iet uit de voeten helpen, iets afmaken. In deze uitdrukkingen behoeft men echter niet aan paardevoeten te denken, maar kunnen de voeten der menschen bedoeld zijn, evenals in het gri. εκποδων, uit de voeten, weg; εκποδιζω en het lat. expedio (?). Syn. zich uit de barrebieze maken (zie Nkr. X, 12 Febr. p. 7).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut