Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

makelaar - (bemiddelaar bij de handel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

makelaar zn. ‘bemiddelaar bij de handel’
Mnl. makelare ‘tussenpersoon, tussenhandelaar’, als beroepsnaam van willemanne den makelare [1270; VMNW], in die makelare die van dese cope ende van vercope makelare ware ‘de makelaar die bij deze koop, en bij de verkoop, tussenpersoon zou zijn’ [1277; VMNW], ‘koppelaar(ster), bevorderaar van huwelijken’ [1300-50; MNW-R].
Wrsch. ontleend aan Middelnederduits mekeler ‘tussenhandelaar’, afleiding van mekelen ‘makelaarsdiensten verrichten’, een frequentatief bij het werkwoord maken in de betekenis ‘handelen’, hetzelfde woord als → maken. Onder invloed van dit werkwoord ontstond in het Nieuwnederduits de nevenvorm makeler met -a-. In het Middelnederlands ontstond evenzo makelare, voor het achtervoegsel zie → -aar.
Duits Makler [15e eeuw; Pfeifer], Deens mægler en Zweeds mäklare, alle ‘makelaar’, zijn aan het Middelnederduits of Middelnederlands ontleend. Ook Frans maquereau ‘bordeelhouder, pooier’ is ontleend; verband met maquereau ‘makreel’ → makreel (BvW, FEW) is minder waarschijnlijk.
Het werkwoord makelen ‘makelaarsdiensten verrichten’ is in het Nederlands veel later geattesteerd dan het zn. makelaar, eerst als vnnl. maeckelen ‘bemiddelen, een schikking tot stand brengen’ [1599; Kil.], dan het makelen van de visch en haring ‘de tussenhandel van vis en haring’ [1606; WNT]. Dit werkwoord is daarom wrsch. afgeleid van het zn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

makelaar* [tussenhandelaar] {in de persoonsnaam Willemanne den Makelare 1270, maeckelaer, makelaer [tussenhandelaar, tussenpersoon, makelaar, afzetter, koppelaar] 1291} het woord zal niet zijn afgeleid van makelen, dat eerst later optreedt, maar van maken in de betekenis ‘door een schikking tot stand brengen of maken’, vgl. ook middelnederlands makelgelt [maakloon en makelaarsloon] → makelen, makreel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

makelaar znw. m., mnl. mākelâre, mākelêre ‘tussenpersoon, makelaar, bemiddelaar, afzetter, koppelaar’, Teuth. mēkeler = ondercoeper, mnd. mēkeler, mākeler ‘tussenpersoon, makelaar’ (> nhd. mākler, de. mægler, nzw. mäklare). Het woord schijnt een afl. van het ww. makelen te zijn, maar dit komt in het nnl. nnd. eerst aanmerkelijk later voor. — > fra. maquereau (sedert de 13de eeuw) ‘tussenpersoon’ (Valkhoff 186).

Het woord bet. ook ‘stuk hout in de top van een kap, als verenigingspunt van nok en spruiten’, ook in andere betekenissen, mnl. mākelâre, mnd. mēkeler, zal als verbindingsstuk het overdrachtelijk gebruikte makelaar zijn. — Het fra. maquereau evenals ital. macratello ‘spion’, moet door metathesis uit makelaar verklaard worden. Maar er is ook een fra. maquereau ‘makreel’, beantwoordend aan mnl. makreel, waarnaast het vr. makerele ‘koppelaarster’ betekent. Volgens het volksgeloof zou de makreel de mannetjes en de wijfjes van de haring samenbrengen en dus werkelijk als koppelaar optreden. Is dit volksgeloof oud, dan zou dus de bet. ‘koppelaar’ secundair zijn en dan zou makelaar een metathesis zijn uit makereel, wellicht onder invloed van maken en het suffix -laar. — Zie verder: makreel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

makelaar znw., mnl. mākelâre, - ěre m. “tusschenpersoon, makelaar, bemiddelaarster), afzetter, koppelaar”. Het is opvallend, dat het ww. makelen eerst sedert Kil. bekend is, terwijl mākelâre in ’t Mnl. vrij veel voorkomt. Ook de Teuth. kent alleen mēkeler = ondercoeper en geen ww. *mēkelen; evenzoo mnd. alleen mēkeler, mākeler m. “tusschenpersoon, makelaar” (> nhd. mäkler, de. mœgler, zw. mäklare, waarnaast de ww. nhd. makeln, mäkeln, de. mœgle, zw. mäkla), opperdu. 1470 mechler m. “id.”. Wsch. is dus het znw. ouder. Wanneer wij geen ME.sch *mākelen, ouder dan mākelâre mogen aannemen, wordt de ook semasiologisch niet voor de hand liggende combinatie met maken onzekerder. Het gelijkluidende woord mnl. mākelâre m., Teuth. mekeler, mnd. mēkeler “steunbalk, gevelbalk” dat ook nnl. dial. in verschillende speciale bett. nog voorkomt, zal wel met ’t andere mākelâre identisch zijn, maar helpt ons voor de etymologie niet verder. Mnl. makereel “koppelares” zal wel op ofr. maquerel(le) (fr. maquereau, -elle) “koppelaar, -ares” teruggaan: dit kan weer uit makelaar ontleend zijn: in gelijke bet. mnl. mākelresse, mhd. mechele v.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

makelaar m., van makelen: z.d.w.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Makelaar van makelen, frequ. van maken = passen, voegen; vandaar dat makelen bet.: handelszaken beschikken, handel drijven; bijv.: „Piet makelt alreeds in de Brunswijker garens.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

makelaar ‘tussenpersoon’ -> Engels † mackerel ‘souteneur, bordeelhoudster’ ; Engels † mackeler ‘tussenpersoon’; Duits Makler, Schiffsmakler ‘tussenpersoon, scheepsmakelaar’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens mægler, skibsmægler ‘tussenpersoon, scheepsmakelaar’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans maquereau ‘man die leeft van prostitutie’; Italiaans macrò ‘pooier’ ; Baskisch makaela/makela ‘tussenpersoon; pooier’ ; Tsjechisch makléř ‘tussenhandelaar; intrigant’ ; Slowaaks maklér ‘tussenhandelaar; intrigant’ ; Pools makler ‘tussenpersoon, bemiddelaar’ (uit Nederlands of Duits); Kroatisch makler ‘tussenpersoon’ ; Kroatisch makro ‘pooier’ ; Macedonisch makler ‘tussenpersoon’ ; Macedonisch makro ‘pooier’ ; Servisch makler ‘tussenpersoon’ ; Servisch makro ‘pooier’ ; Sloveens makler ‘tussenhandelaar’ ; Sloveens makro ‘koppelaar, pooier’ ; Russisch maklák ‘tussenpersoon, tussenhandelaar; schelm; (Bargoens) opkoper van gestolen waar’; Russisch mákler ‘tussenhandelaar; (Bargoens) oplichter, valsemunter’; Bulgaars makro ‘pooier’ ; Bulgaars makler ‘tussenpersoon’ ; Oekraïens mákler, maklák ‘tussenpersoon, tussenhandelaar; schelm’ ; Wit-Russisch mákler ‘tussenhandelaar’ ; Azeri makler ‘tussenhandelaar’ ; Lets mākleris ‘tussenpersoon’ ; Litouws makleris ‘tussenpersoon’ (uit Nederlands of Duits); Esperanto makleristo ‘tussenpersoon’ ; Indonesisch makelar ‘tussenpersoon’; Jakartaans-Maleis makelar ‘tussenpersoon’; Javaans maklar ‘tussenpersoon’; Madoerees makēllar ‘tussenpersoon’; Menadonees maklar ‘tussenpersoon’; Papiaments makelar ‘tussenpersoon’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

makelaar tussenpersoon 1270 [CG I1, 188]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut