Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

major - (de oudere, de oudste (achter namen))

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

major [de oudere, de oudste (achter namen)] {1872} < latijn maior [groter, ouder, de oudere, de oudste (van twee)], vergrotende trap van magnus [groot, oud] (vgl. minor).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

major (Latijn maior)

C.A. Backer (1936), Verklarend woordenboek van wetenschappelijke plantennamen

major (-or, -us), - vergr. trap van Lat. magnus, groot: grooter (dan gewoonlijk), de grootste van twee, tamelijk groot.

Dateringen of neologismen

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

major (← Eng.), grote maatschappij of instelling.

Een commissie binnen de Nederlandse Bioscoopbond buigt zich daar nu over. Een grootscheeps onderzoeksproject wordt door alle ‘majors’ financieel ondersteund. (Haagse Post, 08/06/85)
... deze multinationale major van de nep-superprodukties. (Film en Televisie, juli-augustus 1985)
Voor een Amerikaanse ‘major’ is dit een radikaal opgebouwde film die niet past bij hun gestroomlijnde produkties. (Knack, 06/11/85)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut