Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

maïs - (graansoort (Zea mays))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mais zn. ‘graansoort (Zea mays)’
Vnnl. mais van Peru [1581; Toll.], de Nederlanders noemen dit gewas Torcx coren ...: de inwoonders van America ... heeten 't Maiz [1608; WNT].
Via Spaans maiz [1500; Corominas] ontleend aan Taino mahís ‘mais’. Het Taino is een taal van de Arawak-indianen op Haïti. De oudste schriftelijke attestatie van het woord is Neolatijn maizium [1493; Friederici].
Mais is afkomstig uit Midden- en Zuid-Amerika, waar in oude graven in Peru en Mexico maïskorrels zijn aangetroffen. Na de ontdekking van Amerika door de Europeanen werd maïs ook in andere werelddelen geïntroduceerd. In de 16e eeuw werd in het Duits en in het Nederlands als benaming voor mais ook wel Turks koren of Turkse tarwe gebruikt (WNT). In het Fries heette mais vroeger ook stynske weet ‘Oostindische tarwe’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

maïs [graansoort] {1581} < spaans maíz < het taíno van Haïti mahís.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mais znw. m., sedert de 17de eeuw bekend (Cats gebruikt reeds een vernederlandste vorm meys) < spa. maiz. In 1492 ontdekte Columbus de plant op Cuba; zij kwam naar Europa en verbreidde zich over Portugal, Noord-Afrika, Zuid-Europa en Klein-Azië, Indië tot aan China, waar zij reeds 1570 bekend was. Het woord mais is van mexikaanse oorsprong en wel uit de Taino-taal maisí, majisí ook mahisi (Lokotsch, Et. Wb. amer. Wörter Nr. 77).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

maïs znw., sedert de l7. eeuw. Een via spa. maiz uit Amerika (Haïti) in de Europeesche talen geïmporteerd woord.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

maïs v., uit Haïtisch mahiz.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

maïs: Curaçaose maïs (de), (veroud.) gierst of sorghum, een uit Afrika afkomstig aangeplant gras, waarvan de korrels als veevoer gebruikt worden (Sorghum vulgare, Grassenfamilie*). Zie Enc.NWI 45. - Etym.: De plant lijkt op maïs (koren*).

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

maïs, miloe, djagoeng [graansoort]. Deze drie en nog vele andere namen behoren aan de voortreffelijke graansoort, de Zea Mays van de botanici, die, als men in aanmerking neemt hoe wijd haar cultuur over alle warme gewesten verspreid is, naast de rijst als het eerste van de voedselgewassen beschouwd mag worden. Dat de maïs uit Amerika afkomstig is, wordt thans nauwelijks meer betwijfeld, hoewel vroeger onder anderen Bonafous, Histoire naturelle du maïs (Paris, 1836), de mening is voorgestaan dat de maïs lang vóór de ontdekking van Amerika in de Oude Wereld bekend was en dat zij door de Arabieren en de kruisvaarders uit het Oosten naar Europa is gebracht. Zeker is het dat de maïs, tijdens de ontdekking van Amerika, daar overal door de Indianen verbouwd werd en dat men reeds masklossen (zo noemt men gewoonlijk de dikke rolronde aren) in de graven van de Inka’s heeft gevonden. Vandaar dat in de Verenigde Staten, waar de cultuur van maïs een groot gewicht heeft gekregen, dit gewas nog met de naam van Indian corn wordt aangeduid. Ook is de naam maïs stellig uit Amerika tot ons overgekomen; men meent dat het de naam is die deze plant op Haïti droeg (zie Hernandez, Nova plantarum, VI, 44). Van maïs (maïze) is afgeleid maïzena, zoals een fijn meel genoemd wordt dat van de maïs wordt bereid en in de laatste jaren ook bij ons een veelvuldig gebruik heeft gekregen in de samenstelling van puddingen.

Miloe, de naam die de maïs bij inlanders en Europeanen in de Minahasa draagt, is een verbastering van het Portugese milho, dat zelf niets anders is dan het Latijnse milium. Onder de naam van milho worden in het Portugees verschillende soorten van gierstgrassen (Paniceae), zoals milho painço, milho miudo, enz., samengevat, maar hij is ook uitgebreid tot de maïs, die dan tot onderscheiding ook wel milho grosso, milho zaburro of milho da India wordt genoemd. Waarschijnlijk noemden de Portugezen reeds in Amerika de maïs milho; ik vind ze althans millio genoemd bij Hartsinck, Beschrijving van Guiana, p. 901. Met het graan zelf brachten zij dan ook deze naam over naar Afrika en Oost-Indië, en in beide gewesten werd hij, meer of min verbasterd, door de Nederlanders van hen overgenomen. Bij De Marrée, De Goudkust, deel I, p. 82 en 93, vind ik milhio geschreven, maar in de Kaapkolonie is daaruit miellies of mielies ontstaan. Zie Tromp, Herinneringen uit Zuid-Afrika, p. 28, 39, 164 en Mansvelts Kaapsch-Hollandsch idioticon. Met het Engelse adjectief mealy ‘meelachtig’, dat laatstgenoemde vergelijkt, heeft mielies ongetwijfeld niets uitstaande.

Het voorkomen van de Portugese naam van de maïs tot in de Minahasa maakt het ongetwijfeld zeer waarschijnlijk dat de verbreiding van dit gewas vooral aan Portugal moet worden toegeschreven. Maar ook Spanje heeft daartoe bijgedragen, en men beweert zelfs dat reeds Columbus maïs naar Spanje heeft gebracht, dat reeds in 1520 in dat land werd verbouwd en vandaar naar Italië, Turkije en de Levant kwam.

Ook in Insulinde ontbreken de sporen van Spaanse herkomst niet. Rumphius, Amboinsch Kruydboek, deel V, p. 203, zegt: ‘de Turkze Tarwe [...] wast nu ook op vele plaatsen van deze Eilanden, wordt echter voor een uitlandsch gewas gehouden, door de Spanjaarden eerst ingevoerd. Men noemt het op Maleyts Jagum, Baleys Jagum Castila. In Ternaten Bira Castela.’ In deze namen is jagum kennelijk het Maleis-Javaanse djagoeng, waarop ik zo aanstonds terugkom, en Castela (Kastila) betekent ‘Spaans’ (van Castilië). Bira doet denken aan de Makassaarse naam van de maïs birâlle, in het Boeginees barälle of warälle. Bärrä of wärrä betekent in die taal het ontbolsterde graan, hetzij rijst, gierst of maïs (het Maleis-Javaanse bĕras, Makassaars berasá). Is bîra daarvan soms slechts een andere vorm en birâlle een samentrekking voor bira castelle?38 Zo zou de anders vreemde l in birálle en bärälls een natuurlijke verklaring gevonden hebben.

Op Java, waar de cultuur van de maïs van betrekkelijk jonge oorsprong schijnt te zijn, is zij thans een algemeen en hoogst gewichtig voedingsgewas, dat niet alleen door de inlanders, maar ook door de Europeanen, zelfs als zij Nederlands spreken, altijd met de naam djagoeng of djagong genoemd wordt. Houdt men dit djagoeng voor een oorspronkelijk inlands woord, dan kan men het aanwenden om de mening omtrent de oosterse herkomst van de plant te steunen, maar waarom zouden dan alle andere namen van deze graansoort, in de Archipel gebruikelijk, naar Spanje en Portugal als het land van herkomst wijzen? Het reeds vermelde djagoeng kastila, dat is ‘Spaanse djagoeng’, door Rumphius vermeld als op Bali gebruikelijk, wijst ook daarheen en toont tevens dat djagoeng op zichzelf een ruimere betekenis had, want waartoe zou anders het bepalende kastila dienen? Vergelijkt men djagoeng kastila met het Ternataanse bira kastila, dan zal men zich genoopt voelen aan djagoeng een analoge betekenis met bira toe te kennen. Ik waag omtrent dit woord de volgende gissing. Djawa betekent ‘gierst’ (zie mijn Java, deel II, p. 3 en 5), of oorspronkelijk misschien in het algemeen ‘graankorrel’, dat dan in een land waar oudtijds geen ander graan groeide dan gierst, natuurlijk toch de naam van dit graan werd. Later noemde men op Java de gierst djawawoet, samengetrokken uit djawa awoet, dat is ‘fijne korrel’. De maïs zal men daarentegen djawa agoeng of djawa goeng, dat is ‘grote korrel’, genoemd hebben, volkomen beantwoordende aan het Portugese milho grosso. Later werd dan djawa goeng tot djagoeng samengetrokken.

Eer ik dit artikel besluit, wil ik nog even opmerken dat de naam van Turks koren of Turkse tarwe, waarmee wij in Nederland veelal de maïs noemen, een navolging is van het Franse blé de Turquie, ook Turquet. Het schijnt dat in dit land de maïs eerst uit de Levant is ingevoerd, toen zij haar tocht door het zuiden van Europa volbracht had. De naam blé de Turquie wordt door Littré volstrekt afgekeurd. [V]

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

maïs (Spaans maíz)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mais ‘graansoort’ -> Negerhollands mais, majis ‘graansoort’; Skepi-Nederlands mais ‘graansoort’; Papiaments maïnshi ‘graansoort’ (uit Nederlands of Spaans).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

maïs graansoort 1581 [De Lobel] <Spaans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut