Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mager - (dun van lichaamsbouw; schraal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mager bn. ‘dun van lichaamsbouw; schraal’
Mnl. mager ‘dun, schraal’ [1240; Bern.], maghere [1255; Debrabandere 2003], si was mager ende bleec ‘ze was mager en bleek’ [1265-70; VMNW], overdrachtelijk ook van zaken, zoals in dit magher mael ‘deze schrale maaltijd’ [1300-25; MNW-R]; vnnl. mager calfvleys ‘... zonder vet’ [1599; WNT].
Mnd. māger; ohd. magar (nhd. mager); nfri. meager; oe. mæger (maar ne. meagre is ontleend aan Frans maigre < Latijn macer); on. magr (nzw. mager); alle ‘mager’; < pgm. *magra-.
Verwant met: Latijn macer ‘dun, mager’; Grieks makrós ‘lang, groot’ (zie → macro-); Avestisch mas- ‘lang’; Hittitisch maklant- ‘dun, mager’; bij de wortel pie. *meh2ḱ- ‘lang en dun, slank’ (IEW 699).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mager* [dun] {1265-1270} oudhoogduits magar, oudengels mæger (engels meagre), oudnoors magr; buiten het germ. latijn macer [mager], grieks makros [lang], avestisch mas- [lang].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mager bnw., mnl. māgher, mnd. māger, ond. magar (nhd. mager), oe. mæger (ne. meager, meagre > ofra. megre), on. magr. — lat. macer ‘mager’ en met afwijkende betekenis: gr. makrós ‘lang’, makednós ‘dun, slank’, av. mas- ‘lang’ (IEW 699).

Voor de bet. ontw. ‘lang’ > ‘dun’ in het italisch en germ. vgl. lat. tenuis, oe. tanu- ‘dun, fijn, teer’ van een wortel *ten ‘uitspannen, uitstrekken’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mager bnw., mul. māgher. = ohd. magar (nhd. mager), mnd. māger, ags. mæger (maar eng. meager uit ’t Fr.), on. magr “mager”. = lat. macer “mager”, gr. (makrós “lang”. Verder hierbij gr. makednós; “slank”, mēkos “lengte”, mássōn “langer”, av. mas- “groot”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mager bijv., Mnl. magher + Ohd. magar (Mhd. mager, Nhd. id.) Ags. mæger, On. magr (Zw. en De. mager) + Gr. makrós = lang, Lat. macer = mager. Uit Lat. macer komt Fr. maigre, en van hier Eng. meagre (z. smaad)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

maer: dun, skraal, nie-vet; Ndl. mager (Mnl. māgher), Hd. mager, Fr. maigre (Ofr. megre wu. Eng. meagre/meager) gaan terug op Lat. macer, “maer”, Gr. makros, “lank”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Mager, vermoedelijk van den Idg. wt. mak = lang, dun zijn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mager ‘dun’ -> Creools-Portugees (Batavia) magri ‘dun’; Amerikaans-Engels dialect mauger ‘ziekelijk; lui’; Negerhollands mager ‘dun’; Berbice-Nederlands manggri ‘dun’; Sranantongo mangri ‘dun’; Saramakkaans mángru ‘dun’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) mager ‘dun, uitgehongerd’; Caribisch-Engels mauger ‘broodmager, benig, schonkig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mager* dun 1265-1270 [CG Lut.K]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1006. Jaar en dag,

d.i. langen tijd; ook na jaar en dag, na langen tijd; hd. seit Jahr und Tag; eng. in a year and a day (Prick2, 52). De bet. is ontleend aan het vroegere middeleeuwsche rechtswezen, waarbij allerlei rechtstoestanden konden beklijven en allerlei rechten hunne kracht verloren door verloop van jaar en dag, d.i. éen jaar en éen dag, een vrij jaar (waarbij de dag van aanvang niet meetelt). In later tijd (bij ons sedert het laatst van de twaalfde eeuw) verstaat men er onder een jaar, zes weken en soms nog drie dagen; vgl. Kiliaen: Jaer ende dach, annus et sex septimanae: et (veteri Saxonum more) tres insuper dies. Zie Mededeelingen v.d. Maatschappij v. Nederl. Ltk. 1897-98, bl. 114-115; Ndl. Wdb. VII, 39 en het Mnl. Wdb. II, 11; III, 985.

1983. Scharminkel (Scherminkel),

vooral magere scharminkel of scherminkel, een sedert de 17de eeuwZie Plaiz. Kyv. (anno 1695), bl. 5: Een mageren scherminkel. voorkomende scheldnaam voor iemand, die zeer mager is. Men meent het voor eene volksetymologische verbastering te moeten houden van het mnl. siminkel, simminkel, scimminkel, bij Kil. scheminkel, verkleinwoord van simme, lat. simia, d.i. aap, spook, geraamteZie Mnl. Wdb. VII, 422; Franck-v. Wijk, 557; Vercoullie, 249; Taal en Letteren, 1894, bl. 184; Ndl. Wdb. XIV, 285; Kluge, Nominale Stammbildungslehre, 2de dr. § 63; Deutsche Wortf. IX, 270-282; X, 253-256.. Voor Zuid-Nederland vergelijke men De Bo, 988; Schuermans, Bijv. 285: schermik, scharmik, schormik; schominkel, schaminkel, scheminkel, scherminkel, aap (De Bo, 1001); Antw. Idiot. 1073: scherminkel, schraminkel, oud en mager wijfken; Tuerlinckx, 566: schraminkel, mank, sukkelachtig.

2326. Schreeuwen als een mager varken (of een speenvarken),

d.w.z. verschrikkelijk schreeuwen: magere dieren zijn altijd gauwer kwaad dan vette, wèl doorvoede. Vgl. de zegswijze mager en kwaad (van menschen). In de 17de eeuw is de uitdrukking zeer gewoon; zie Lichte Wigger, 5 r: End' hy schrewde as een mager vercken; 7 v: Hy schrewt als een mager verken dat de keel wort afgestooken; Coster, 10 vs. 15: Dat is een stemmetgen as een mager varcken; Brederoo II, 290, 1434: Mijn darmen kryten als mag're varckens; Spaan, 60; 157; Van Effen, Spect. VI, 229: Pietje kreeg bevel van zyn Moeder dat hy eens zingen zou; waarop hy aan 't schreeuwen tijde als een mager varken. Zie ook Tuinman II, 94; Amstelv. 13: De man zat onder de bewerking te gillen als een mager varken; De Arbeid, 31 Juli 1915 p. 4 k. 2: Tamminga kon als een mager speenvarken gaan schreeuwen, daar had ik maling aan; Tuerlinckx, 556; Joos, 134: de magere varkens schreien meest; Waasch Idiot. 585: schreeën gelijk een verken. Syn. schreeuwen als een varken, dat gekeeld (of geringd) wordt; zie De Bo, 1149: tieren lijk een verken dat gekeeld wordt; Antw. Idiot. 1093: schreeuwen gelijk e penneverken dat in 'en hekel hangt, gelijk e mager verken; Molema, 349 a: schreeuwen as 'n zwien dat ringt wordt; Limburg: schreeuwen lijk een verken onder 't mes ('t Daghet XII, 186) of alsof men 't mes in de keel had (bl. 143); Twente: schreeuwen as 'n varken dat ekelt of as ne bigge de ekrampt wordt; afrik. hy skree soos 'n maer vark; fri. gûle of giere as in meagere baerch; eng. to cry like a stuck pig. Vgl. no. 1114

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut