Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

maf - (mal, gek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

maf bn. ‘mal, gek’
Vnnl. maf ‘slap, moe’ in moe en maf door slaegen [1672; WNT]; nnl. voor 't mafje loopen ‘voor de gek gehouden worden’ [1717; Marin NF], maf ‘gek’ [1731; Moormann 2002, 361].
Sinds de 17e eeuw overgeleverd in de betekenis ‘slap, suf’. In de jaren 1950 is het uit het Bargoens overgenomen in de jeugdtaal in de betekenis ‘gek, mal’. De verdere herkomst is onduidelijk; mogelijk gaat het om een variatie van → laf onder invloed van → mat 2 en/of → moe.
maffen ww. ‘slapen’. Nnl. maffen ‘slapen’ [1899; Woordenschat]. Oorspronkelijk een Bargoens woord, afgeleid van maf in de betekenis ‘suf’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

maf* [flauw, slap] {1642} etymologie onzeker, mogelijk een nevenvorm van muf1, wellicht ook een kruising van of beïnvloed door moe en laf of van mat en laf. Voor de barg. betekenis ‘gek’, vgl. rotwelsch maf [gek, dwaas].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

maf

Dialectisch komt maf voor in de betekenis: slap, suf. Hiervan afgeleid is het werkwoord maffen, gemeenzame term voor: slapen. Maar op het ogenblik is maf ook een modewoord onder scholieren. Zij verstaan onder maf zo iets als: flauw, kinderachtig en spreken dus bijvoorbeeld van een maf verhaaltje. Maar anderen gebruiken maf ook in gunstige zin. Zoals zo dikwijls gebeurt, heeft ook hier de betekenis van een modewoord allerlei schakeringen. Dus kan ongeveer alles maf genoemd worden. Zo omschrijft het Bargoens Woordenboek maf met: gek en bajesmaf met: gek ten gevolge van celstraf. Een maffer tenslotte is een werkwillige tijdens een staking, een onderkruiper, eigenlijk: een sufferd, een slaapkop.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

maf 2 bijv.(laf), oorspr. onbek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

maf ‘loom, vadsig; gek’ -> Frans dialect maflé ‘verzwakt, vermoeid, uitgeput’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

maf* gek 1731 [Endt]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1456. Maf,

d.i. slaap, waarnaast een wkw. maffen, slapen, bronzen (o.a. Lvl. 38Ook in Weekblad voor Gymn. en Middelb. Onderwijs, IX, 427., een ww. dat onder soldaten en studenten vrij gewoon is; waarschijnlijk hangt dit woord samen met het dial. bijv. naamw. maf, slap, krachteloos, flauw, wisselvom van mak (zie no. 1319 en 1341). Voor bewijsplaatsen zie Köster Henke, 42: maf, slaap; V. Ginneken I, 498; Ndl. Wdb. IX, 88; St. L. 57: In 't diepst van z'n maf; Landl. 327: 'k Val om van de maf; Falkl. V, 228: Ik heb maf; VI, 15: Wat had-ie een maf; Jord. 30: De schommeljongens leken in maf verzonken; Nkr. VII, 8 Nov. p. 4: Waar zijn de kerels? In de maf? Is al het fut verdwenen?; Boefje, 70: Kleine Stientje mag maffieHiermede heeft maffie (kwartje, o.a. Boefje, 20; Nachtkr. 21) niets te maken. De oorsprong van dit sedert de 18de eeuw voorkomend woord is onbekend; zie Ndl. Wdb. IX, 88. doen op z'n schoot; Ppl. 37: We hebben 'n goed maffie gedaan; Kunstl. 8: Dat is heel slecht van meneer M., dat ie je maffie gestoord heb. - Het wkw. maffen komt voor in Boefje, 21; 23; 100; Dievenp. 140; Falkl. IV. 142; VI, 210; Lvl. 37; 295; 299; Menschenw. 207; Nkr. VII, 27 Sept. p. 6:

En de wacht – God zal ze straffen! –
Ligt juist zaligjes te maffen.

Hiernaast uitmaffen in zijn roes uitmaffen (in Lvl. 309); inmaffen (in D.H.L. 20) en een znw. maffer (= 18de-eeuwsch mafferd, flauwerd?), onderkruiper, in Nkr. VIII, 25 Juli p. 4: Daar onderkruipers maffers zijn; De Arbeid, 10 Jan. 1914, p. 3 k. 3; 28 Jan. 1914, p. 2 k. 1; Handelsblad, 10 Febr. 1923 (O) p. 2: De bewaking duurt voort, het posten wordt ononderbroken voortgezet, nu en dan afgewisseld door solo-of koorzang op het thema: Verráá-jers....Maffers!

1341. Iemand voor het lapje houden,

d.w.z. iemand voor den gek houden, iemand iets op de mouw spelden, hem in het lange jak laten loopen (in C. Wildsch. VI, 239). Deze uitdr. wordt in de 17de eeuw aangetroffen in de Klucht v.d. Pasquilmaecker, I, 19: Hebbense my eens voor 't lapje gehadt, 'k salder die koek nou wel so weten te backen, dat, enz.Op bl. 8 lees ik: ‘Ondertussen houje ons veurt lappen,’ welke vorm mij niet duidelijk is. Verder trof ik haar aan bij Winschooten, 304; Van Effen, Spect. VII, 60 en 63; C. Wildsch. IV, 41; bij Tuinman, I, 274: Hy loopt voor 't lapje. Vgl. ook Jong. 273: Zij hielden de juffrouw voor 't lapje; P.K. 43; Het Volk, 3 Maart 1914 p. 10 k. 4: Wat ergerlijk is, is dat de arbeidsinspektie zich maar goedwillig jarenlang voor het lapje heeft laten houden; Kalv. II, 145: Onderlinge malkaar van 't lappiehouwerij; Molema, 538 b: iemand veur t lapke hollen, waarnaast lapperij, gekheid (Volkskunde XIII, 168); Noordbr. veur 't lapke haauwen; Overijs. veur 't lepken holden; Schuermans, 326: iemand voor 't lapken houden, met iemand spotten; Ten Doornk. Koolm. II, 470 a: ên fôr 't lapke hebben; Woeste, 157 a: ümmes för en läppken brûken, einen zum besten haben; Eckart 309: jemes för et Lappken halden. Het in deze spreekwijze voorkomende znw. lapje is het verkleinwoord van lap, dat in het mhd., mnd. en ook later beteekende homo stolidus, ineptus, iners; vgl. Grimm VI, 192, die vele plaatsen citeert, waar sprake is van ein junger Lappe (vanwaar nog läppisch, närrisch en Lappalie), waarnaast ook ein junger Laffe, dat thans nog in het hd. zeer gewoon is. Eig. zou volgens Grimm dit lappe, laffe moeten beteekenen een kind dat lept; en vandaar een sukkel, een onnoozele hals; vgl. het oostfri. laffert, een jongen, die als een zuigend kind vrijt, met den mond lekt; en lapsak, in Kl. Brab. een lapper(t), een onnoozel mensch, domoor; Holst, lapp, lappert, lafbek (Molema 235 a en 238). Waarschijnlijker komt het mij voor, dat we moeten denken aan eene beteekenis slap neerhangen, krachteloos, moe zijn, die beide wortels laf en lap in zich vereenigenZie Franck-v. Wijk, 367; 368 i.v. laks; Mnl. Wdb. IV, 154; Schuermans, 321 i.v. labbe., zoodat een lap eig. is: een slappe vent (vgl. het 17de-eeuwsche een slappe gans, eene onnoozele vrouw), een weekeling, een knul, een sukkel. Synoniem is maf, dat in de 17de eeuw beteekende moe, traag en als znw. een gek, in welken zin het vrij gewoon is in de uitdr. voor het mafje loopen (Sewel, 469; Halma, 334) en iemand voor het mafje (of de maf) houdenDe Jager, Frequ. I, 401; Teirlinck, Wdb. van het Bargoensch 43-44; Gew. Weeuw. II, 44; C. Wildschut III, 26, 264; IV, 32; V, 272; VI, 56; Sewel, 474; Ndl. Wdb. IX, 87; enz. Voor ‘het is maf weer’ zegt men in Zuid-Nederland ‘het is laf weer’, dat ook dialectisch bij ons bekend is (no. 1319 noot)., synoniem van iemand voor het jobje (deminutief van jobbe, homo ignavus, obtusus) houdenVan Hasselt op Kiliaen, 268; Oudemans III, 279 i.v. jubben; Epkema II, 228., iemand voor den boer houden (Halma II, 68) en iemand voor het sotje houden, dat voorkomt in den Sp. Brab. vs. 1783; vgl. ook mnl. sijn foolken met enen houdenMnl. Wdb. II, 835.. Zie no. 1319.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut