Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

made - (weide, hooiland)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

made2* [weide, hooiland] {in de vroegere Gelderse plaatsnaam Blidgeringmað <796>, made, maet 1280-1287} (nog in plaatsnamen als Themaat, Huizermaat en Made), oudhoogduits mād, oudengels mæð, van maaienmad.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

maad en meed znw. v. ‘grasland, hooiland’; zie: made 2.

made 2 znw. v. ‘hooiland’. In het mnl. zijn te onderscheiden de woorden mâde en māde. Zij behoren beide tot de idg. wt. *mē, waarvoor zie: maaien, waarvan afgeleid een woord *mēto, zoals gr. àmētos (voor *amātos) ‘het maaien, oogst’ en mogelijk ook ohd. mād o. (nhd. mahd v.), oe. mæð o. ‘het maaien, het afgemaaide hooi’. — Maar naast de idg. wt. *mē stond ook *met (IEW 705) zoals in lat. metō ‘maaien, oogsten’, oiers meithleōrai ‘maaiers’, miers meithel ‘een groep maaiers’, de-mess ‘schaar’ eig. ‘dubbelmes’. — Van deze wortel *met kan men afleiden 1. germ. *maþa, vgl. nnl. mad o. ‘de door een streek van de zeis afgemaaide grond’, nnl. dial. limb. en zuidnl. gromǝt, grommǝt, mhd. gruonmat v. (nhd. grummet o.) ‘nagras’; 2. germ. *maþō, maþwō, vgl. mnl. māde, onfrank. mada, os. matha, ohd. mato (in matoscrech ‘sprinkhaan’ eig. ‘weidespringer’), mhd. mate, made (nhd. matte, vooral alemann.) en 3. *mēþō, mēþwō, vgl. mnl. mâde, mêde, maet, meet v., mnd. ofri. mēde, oe. mæd, mǣdwe (ne. mead, meadow) ‘weiland, hooiland’ (vgl. E. Müller, Teuth. 7, 1931, 162 vlgg.). — Zie: meelgras.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mat 1 v. (weiland), Mnl. matte + Mhd. matze; daarnevens Os. mada (Ndl. *made) + Ohd. mato (Mhd. en Nhd. matte), Ags. meadu (Eng. meadow): van denz. wortel als maaien (z.d.w.). Hierbij op het mat komen, zooveel als onder het maaien inhalen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

maat 2, maai, zn.: wei, weiland; (in de Kempen) heidegrond waarop heidekruid en buntgras gemaaid werden. Maat door apocope van de eind-e en maai door d-syncope uit Mnl. made, maet, meet ‘weiland, hooiland’, Vnnl. matte, madte ‘wei’ (Kiliaan). D. Matte ‘weide, veeweide’ in Obd. plaatsnamen Zermatt, Andermatt, Ohd. in matoscrec ‘sprinkhaan’, Os. maða, Mhd. mate, matte, Mnd. mêde, Oe. mæd, met uit de verbogen vorm Oe. mædwe, E. meadow (Mennen 25). Het woord hoort bij het ww. maaien, D. mähen, Lat. metere, Idg. *met-. Vandaar de familienamen Van der Maeten, van der Maat, van der Made(n), Vermaat, (van) Havermaet.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

maaie 2 zn. v.: met gras begroeid voorland. Door d-syncope uit Mnl. made ‘weiland, hooiland’. Ohd. mâd, Mhd. mat(t)e, Mnd. made, D. Matte ‘weide’, Os. maða, Oe. mæd. Vgl. E. meadow < mædwe ‘grasland’, Ndl. madeliefje ‘weidebloempje’, Zwitserse plaatsnamen Andermatt, Zermatt ‘op de wei’. Afgeleid van het werkwoord maaien. De oorspronkelijke betekenis is dus ‘maailand’. Samenst. maaigozzen ‘laaggelegen hooiland’ (zie gors, gos), maaiweie ‘hooiweide’

matte zn. v.: dichtbegroeide, bezaaide grond, laag gras, klaver. Mnl. made ‘weiland’, van het ww. maaien. Zie maaie 2.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

maot laaggelegen stuk weide- en hooiland (Drente). Afl. van de wortel van maaien.
Hadderingh/Veenstra 176.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

made 'hooiland'
Onl. mnl. made, mede, maet, meet, nnl. mad, os. matha, ofri. mnd. mede, nfri. miede, oe. mæd, mædwe, ohd. mato, mhd. mate, made 'hooiland, grasland, weiland'. Het woord is afgeleid van de stam van maaien en betekent 'land waarvan het gras gemaaid kan worden'. Oudste attestaties in plaatsnamen: 796 kopie 10e eeuw Blidgeringmað 'hooiland van de lieden van Blidger' (ligging onbekend, in Gelderland)1, 11e eeuw Scaldmeda (ligging onbekend, bij Schildwolde, Gr)2, 1105-1120 kopie ca. 1420 Wardingmade (ligging onbekend, mogelijk bij Zandvoort, NH)3.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 92, 2Idem 315, 3Idem 384.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

made* weide, hooiland 0796 [Claes]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

mē-2, m-e-t- ‘mähen’

Lat. metō, -ere, messum ‘mähen, ernten’ (messor ‘Schnitter’); cymr. medi ds., acorn. midil ‘messor’, air. meithleōrai ‘messōrēs’, mir. meithel ‘a party of reapers’, acymr. medel ds., anter-metelic ‘semiputata’, mir. de-mess ‘Schere’ (‘Doppelmesser’); ahd. mād ‘Mahd’, ags. mǣð ‘das Mähen, das gemähte Heu’ (= gr. ἄμητος ‘das Ernten’, ursprüngl. *ἄμᾱτος).
Idg. *met- steht neben *mē- (oder *amē-) in gr. ἀμάω ‘mähe, schneide’, ahd. māen ‘mähen’, ags. māwan ds.; ahd. mato-screch ‘Wiesenhüpfer, Heuschrecke’, nhd. Matte ‘Wiese, die gemäht wird’, ags. mǣd f. ‘Wiese, Weide’ (*mǣdwu), engl. meadow, aschwed. maþ ds.

WP. II 259, WH. II 82 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal