Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

macho - (man die zich nadrukkelijk mannelijk voordoet), (nadrukkelijk mannelijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

macho zn. ‘man die zich nadrukkelijk mannelijk voordoet’, bn. ‘nadrukkelijk mannelijk’
Nnl. macho (zn.) ‘hanige, stoere man’, (bn.) ‘hanig, nadrukkelijk mannelijk’ [beide 1974; Koenen].
Ontleend aan Amerikaans-Engels macho ‘man die zich nadrukkelijk mannelijk voordoet’ [1928; OED], ontleend aan Spaans macho ‘id.’, een in de Verenigde Staten ontwikkelde betekenis van Spaans macho (zn. en bn.) ‘man; van het mannelijke geslacht’. Het Spaanse woord gaat terug op Latijn masculus zn. ‘man, mannetjesdier’, bn. ‘mannelijk; krachtig’, verkleinwoord van mās ‘mannelijk; mannetjesdier’, van onzekere verdere herkomst.
De oorspronkelijk neutrale betekenissen van ‘man’ en ‘mannelijk’ hebben er in het Spaans een betekenisaspect bij gekregen van benadrukte mannelijkheid en stoerheid. Dit heeft zich uitgebreid tot karakterisering van zaken, eigenschappen, handelingen enz. Hieraan is in de Engelstalige wereld vanuit de vrouwenbeweging een ongunstige gevoelswaarde toegevoegd van overdreven, heerszuchtige mannelijkheid.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

macho [overdreven zelfbewuste man] {na 1950} < spaans macho [mannetje, mannetjesdier], teruggaand op latijn masculus [mannelijk], verkleiningsvorm van mas [krachtig, als zn.: man, mannetje(sdier)] (vgl. masculien).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

macho: (Spaans) man die zich overdreven stoer gedraagt; hanig type; vrouwenversierder of stoere homo. In de Latijns-Amerikaanse landen waarderend gebruikt (voor een man die veel waarde hecht aan zijn mannelijke eigenschappen en die dan ook graag toont), maar in onze contreien, met name onder post-feministen, vooral een scheldwoord geworden voor iemand die zich vanwege zijn sekse superieur gedraagt. Machismo noemt men het gedrag van een macho.

Want wordt de nieuwe kieswet in de a.s. volksvertegenwoordiging behandeld, dan hoeft slechts het woordje ‘macho’ (mannelijk) erin gevoegd te worden om alle feministische juichkreten in dof geweeklaag te doen veranderen. (De Groene Amsterdammer, 04/06/1911)
Macho. Op de Nederlandse Antillen en in Zuid-Amerika is de aanduiding ‘macho’ een eretitel voor een bink die het ‘gemaakt’ heeft. Een Firebird onder z’n kont en een gedienstige mooie meid aan elke (goudgeringde) vinger. Komt zo’n jongen hier, blijkt macho een scheldwoord van de feministen. Verwarring. Vooral omdat nu, in het voortdurende proces van betekenisverandering van woorden waarmee allerlei subculturen hun ‘geheimtaal’ willen beschermen, macho weer een compliment begint te worden. (Hans Ferrée, Het trendletter ABC, 1983)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

macho (Spaans macho)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

macho overdreven zelfbewuste man 1976 [Picarta: titel van N.R.Nash] <Spaans

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

macho (← Sp.), als zelfstandig naamwoord: man die zich stoer gedraagt; hanig type. In de Latijns-Amerikaanse landen waarderend gebruikt, maar in onze contreien, met name onder post-feministen, vooral een scheldwoord geworden. Machismo noemt men het gedrag van een macho.

Macho. Op de Nederlandse Antillen en in Zuid-Amerika is de aanduiding ‘macho’ een eretitel voor een bink die het ‘gemaakt’ heeft. Een Firebird onder z’n kont en een gedienstige mooie meid aan elke (goudgeringde) vinger. Komt zo’n jongen hier blijkt macho een scheldwoord van de feministen. Verwarring. Vooral omdat nu, in het voortdurende proces van betekenisverandering van woorden waarmee allerlei subculturen hun ‘geheimtaal’ willen beschermen, macho weer een compliment begint te worden. (Hans Ferrée: Het trendletter ABC, 1983)
Buitenstaanders noemen me soms een macho, omdat ik zakelijk ben en omdat mijn secretaresse tijdens vergaderingen rondgaat met de koffiepot. (Avenue, juli/augustus 1993)
als bijvoeglijk naamwoord of voorvoegsel: hanig, stoer; het gedrag van een macho vertonend.
Zoals ik daar op het veld op de grond lig met die potenrammers om me heen, dan is het macho-gedrag er wel af. (HP/De Tijd, 02/05/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal